Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
25-10-2018
Zaaknummer
14/4617 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Militair invaliditeitspensioen. Hoogte van invaliditeit met dienstverband terecht niet herzien. De door de Raad geraadpleegde deskundige volgt de staatssecretaris in zijn standpunt dat, voor zover sprake zou zijn van een toename van de klachten en beperkingen, deze toename niet in causaal verband staat met de aandoeningen waarvoor dienstverband is aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0939
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4617 MPW

Datum uitspraak: 11 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 juli 2014, 13/5909 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister), thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

Namens appellant heeft mr. W.B. Knook hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Knook. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben.

Het onderzoek is na de zitting heropend. De Raad heeft aanleiding gezien

dr. E.M.H. van den Doel, neuroloog, te benoemen als deskundige. De deskundige heeft op

15 mei 2018 rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop hun zienswijze gegeven.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op [datum] 1977 als dienstplichtige in dienst gekomen en was vanaf september 1979 beroepsmilitair. Op 29 december 1994 is appellant een sportongeval overkomen. Appellant ontvangt een militair invaliditeitspensioen. Daarbij is dienstverband aanvaard voor de restklachten als gevolg van het ongeval, waaronder hoofd- en nekpijnklachten en cognitieve stoornissen. Het invaliditeitspercentage is laatstelijk, met ingang van 11 november 2002, vastgesteld op 50, met een bijzondere invaliditeitsverhoging van 10%.

1.2.

Bij brief van 22 juli 2007 heeft appellant verzocht om een herbeoordeling van zijn invaliditeit. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven dat sprake is van een toename van de cognitieve beperkingen. Daarbij heeft appellant een beroep gedaan op de rapportage van

15 december 2005 van dr. J.B.K. Lanser, neuropsycholoog, aangevuld bij rapportage van

10 januari 2006, de rapportage van 20 februari 2006 van dr. H.J. Vroon, neuroloog, aangevuld bij rapportage van 15 januari 2007 en de rapportage van 13 maart 2006 van

dr. G.M.A. Clauwaert, medisch adviseur.

1.3.

De medisch adviseur G.S.D. Zaalberg heeft appellant onderzocht en op 11 september 2008 een rapport uitgebracht. Hierbij is onder meer gebruik gemaakt van de rapportage van 12 augustus 2008 van prof. dr. L.J. Kappelle, neuroloog, die gebruik heeft gemaakt van de rapportage van 23 juni 2008 van drs. E.M. Wijnalda en dr. J. Bruins, neuropsychologen. De conclusie van Kappelle is dat er geen aanwijzingen zijn voor een verband tussen de cognitieve problematiek en de uitoefening van de militaire dienst. In het verleden is aannemelijk geacht dat er een verband is tussen het ongeval en de neurologische problematiek, maar dat is volgens Kappelle geenszins zeker. Met name het waarschijnlijk progressieve karakter van de cognitieve functiestoornissen en het relatief milde trauma in samenhang met een MRI scan van de hersenen waarop geen traumatische afwijkingen zijn gevonden, zijn reden voor twijfel aan een traumatische origine van de klachten en verschijnselen. Volgens Kappelle is er waarschijnlijk een verslechtering ten opzichte van eerder verricht onderzoek en is het niet uitgesloten dat de verslechtering van de cognitieve functies zich doorzet. Er zou sprake kunnen zijn van een andere aandoening dan een posttraumatische situatie die de forse cognitieve achteruitgang kan verklaren. Hierbij kan worden gedacht aan een dementeringsproces. Hiervoor acht Kappelle verder neurologisch onderzoek geïndiceerd, inclusief een nieuwe MRI-scan, laboratoriumonderzoek, liquor onderzoek en een EEG. Zaalberg heeft op grond van het onderzoek van Kappelle geconcludeerd dat een uitspraak over het invaliditeitspercentage pas kan worden gegeven als uit (nader) neurologisch onderzoek blijkt of de progressieve mentale achteruitgang al dan niet van traumatische aard is. Appellant wenste hier vooralsnog geen medewerking aan te verlenen.

1.4.

Op grond van de uitkomsten van het onder 1.3 beschreven onderzoek heeft de staatssecretaris bij besluit van 1 oktober 2008 het invaliditeitspercentage van 50 en de bijzondere invaliditeitsverhoging van 10% gehandhaafd. Hierbij is overwogen dat een eventuele toename van het percentage kan pas worden beoordeeld als appellant toestemming geeft voor nader neurologisch onderzoek. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.5.

Nadat appellant in de bezwaarfase toestemming heeft gegeven voor nader neurologisch onderzoek, is appellant opnieuw onderzocht door Kappelle. Kappelle heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapportage van 13 december 2010. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van de rapportage van 24 augustus 2010 van Wijnalda en Bruins. Kappelle concludeert dat er geen sprake is van een progressieve neurologische aandoening en dat de bevindingen niet goed verklaard kunnen worden vanuit neurologische en neuropsychologische optiek.

1.6.

Appellant heeft in bezwaar een rapportage overgelegd van 27 oktober 2012 van medisch adviseur drs. L.D. van der Schuur.

1.7.

De verzekeringsarts P.G. Verkerk heeft bij brieven van 14 februari 2013 en 22 mei 2013 adviezen aan de staatssecretaris uitgebracht. Verkerk concludeert, mede op grond van een nadere reactie van Kappelle van 21 mei 2013, dat er geen aanleiding bestaat het oorspronkelijk ingenomen standpunt over de hoogte van invaliditeit met dienstverband te herzien.

1.8.

Bij besluit van 12 juni 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat uit de diverse onderzoeken niet blijkt dat de situatie van appellant geobjectiveerd is verslechterd ten opzichte van 2002. Nu geen sprake is van een geobjectiveerde verslechtering, kan wat appellant heeft aangevoerd in het kader van de vraag of de verslechtering in zijn geheel is toe te schrijven aan het ongeval, buiten beschouwing blijven.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

De door de Raad benoemde deskundige Van den Doel heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een aandoening op neurologisch vakgebied die de klachten van appellant en het beloop ervan verklaart en dat er zeker geen sprake is van aan te nemen gevolgen van het ongeval in 1994. Hieruit vloeit voort dat er ook geen reden is om aan te nemen dat de gevolgen van het ongeval (sinds 2002) zouden zijn toegenomen. Er is bij het ongeval van 1994 geen aandoening op neurologisch vakgebied ontstaan die het in zich zou hebben om te verergeren, aldus Van den Doel. Van den Doel volgt de staatssecretaris in zijn standpunt dat, voor zover sprake zou zijn van een toename van de klachten en beperkingen, deze toename niet in causaal verband staat met de aandoeningen waarvoor dienstverband is aanvaard.

3.2.

De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar het advies 23 mei 2018 van de verzekeringsarts Verkerk, te kennen gegeven zich met het rapport van Van den Doel te kunnen verenigen. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de beantwoording van de vraagstelling door Van den Doel geenszins begrijpelijk en overtuigend is omdat Van den Doel geen aandoening op neurologisch vakgebied heeft kunnen vaststellen, die geacht kan worden in ernst te zijn toegenomen, terwijl hij wel aangeeft dat de klachten zijn toegenomen. Volgens appellant bestaat er daarom geen reden om de deskundige te volgen.

3.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Het betoog van appellant dat het oordeel van Van den Doel niet kan worden gevolgd, slaagt niet. Van den Doel sluit op zichzelf beschouwd niet uit dat appellant een toename van zijn klachten en beperkingen ervaart, maar voor zover die toename aan de orde is kan deze niet worden verklaard door het ongeval.

3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en B.J. van de Griend en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is

uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2018.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.W.J. Hospel

IJ