Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:328

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
16/5490 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte maatregel opgelegd omdat appellant zich niet ten onrechte ziek heeft gemeld voor re-integratietraject. Niet voldaan aan bewijslast. Geen feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5490 PW

Datum uitspraak: 30 januari 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 juli 2016, 15/4134 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Namens appellant is

mr. Bakker verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. van der Veen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 december 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant is inwonend bij zijn moeder.

1.2.

Uit een trajectplan van 14 oktober 2014 volgt dat het college met appellant heeft afgesproken dat hij op 22 oktober 2014 start met een re-integratietraject bij het Trainings- en Diagnose Centrum (TDC). Op 30 maart 2015 heeft appellant zich ’s ochtends bij zijn werkleider van het TDC ziek gemeld met griepklachten. Het college heeft op 31 maart 2015 een melding ontvangen inhoudend dat appellant op 30 maart 2015 is gearresteerd. Naar aanleiding van deze melding heeft het college kennisgenomen van een bevel tot inverzekeringstelling van 30 maart 2015 van politie-eenheid Noord-Nederland (bevel tot inverzekeringstelling). Hieruit blijkt dat appellant op 30 maart 2015 omstreeks 15.40 uur is aangehouden op verdenking van medeplichtigheid aan zware mishandeling. Op 8 april 2015 heeft onder meer een medewerker van het college met appellant een gesprek gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft appellant (samengevat) verklaard dat hij op 30 april 2015 ziek thuis was, die dag twee vriendinnen bij zijn moeder koffie kwamen drinken, hij die vrienden heeft gevraagd of zij met hem naar het tankstation wilden rijden om een pakje shag te halen en hij om die reden in de auto zat met twee personen die die dag eveneens zijn opgepakt op verdenking van mishandeling. Appellant heeft verklaard dat hij niets met de mishandeling te maken heeft gehad.

1.3.

Bij besluit van 21 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 september 2015 (bestreden besluit), heeft het college op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder h, van de PW bij wijze van maatregel de bijstand van appellant over de periode van 1 tot en met 31 mei 2015 verlaagd met 100%. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, omdat hij niet met objectieve medische gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 30 maart 2015 wegens ziekte niet in staat was deel te nemen aan het re-integratietraject bij het TDC. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat appellant die dag kennelijk wel in staat was met vrienden in de auto naar een tankstation en vervolgens naar een bandenhal te rijden en dat appellant tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij op 30 maart 2015 ook wel in staat zou zijn geweest een stukje te fietsen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij op 30 maart 2015 wegens ziekte niet in staat was om deel te nemen aan het traject bij TDC. Ten onrechte stelt het college dat het aan hem is om dit met medisch objectiveerbare gegevens te onderbouwen. Appellant rookt en op het moment dat de vrienden bij zijn moeder langskwamen heeft appellant ze gevraagd of zij met hem even langs het tankstation wilden rijden, zodat hij daar shag kon kopen. Dat appellant tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij die dag ook in staat zou zijn geweest een stukje te fietsen, betekent niet dat hij niet ziek was. Een hele dag werken is volgens appellant niet hetzelfde als een kort stukje fietsen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat op 30 maart 2015 geen verzuimcontrole heeft plaatsgevonden. Evenmin is in geschil dat het college appellant die dag niet heeft verzocht een medische verklaring over zijn ziekmelding over te leggen. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of uit het handelen van appellant op 30 maart 2015 kan worden afgeleid dat hij zich die dag ten onrechte ziek heeft gemeld voor het traject bij TDC.

4.2.

Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor de belanghebbende belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Meer concreet betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat appellant zich op 30 maart 2015 ten onrechte ziek heeft gemeld voor het traject bij TDC.

4.3.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld heeft het college niet aan de in 4.3 opgenomen bewijslast voldaan. In het kader van de daar weergegeven bewijslastverdeling kan appellant niet worden tegengeworpen dat hij niet met objectieve medische gegevens heeft onderbouwd dat hij op 30 maart 2015 wegens ziekte niet in staat was deel te nemen aan het traject bij TDC. De enkele omstandigheid dat appellant die dag wel in staat was om in de auto met vrienden naar een tankstation en een bandenhal te rijden en de verklaring van appellant dat hij ook in staat zou zijn geweest een stukje te fietsen, biedt onvoldoende grond voor de conclusie dat appellant zich op 30 maart 2015 ten onrechte ziek heeft gemeld. Verder is van belang dat niet vast is komen te staan dat appellant strafrechtelijk is veroordeeld voor het vermeende geweld dat hij op 30 maart 2015 zou hebben gepleegd, nog daargelaten dat de vermeende betrokkenheid van appellant bij de mishandeling door het college niet expliciet aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd. Daarnaast blijkt uit het bevel tot inverzekeringstelling dat appellant op 30 maart 2015 omstreeks 15.40 uur is aangehouden, terwijl hij zich die dag

’s ochtends met griepklachten ziek heeft gemeld voor het traject bij TDC.

4.4.

Ter zitting heeft het college erop gewezen dat appellant eerder onvoldoende heeft meegewerkt aan andere (re-integratie)trajecten en hij meermaals is gewaarschuwd dat, als hij wederom niet voldoende zou meewerken, een maatregel zou volgen. Verder heeft het college betoogd dat appellant er beter aan gedaan zou hebben als hij op 30 maart 2015 ’s ochtends naar TDC was gegaan om zich aldaar ziek te melden. Uit de in het dossier aanwezige stukken kan niet worden afgeleid dat appellant niet goed heeft meegewerkt aan het traject bij TDC, noch dat hij zich eerder ten onrechte ziek heeft gemeld. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat voor appellant zwaardere eisen ten aanzien van het meewerken aan het traject of ten aanzien van ziekmeldingen golden, had het college die eisen aan appellant moeten opleggen. Uit het dossier is daarvan echter niet gebleken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant de verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet is nagekomen. Dit betekent dat het college ten onrechte een maatregel heeft opgelegd.

4.6.

De rechtbank heeft wat in 4.5 is overwogen niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. In aanmerking genomen dat het college de verweten gedraging niet aannemelijk heeft gemaakt, was er geen ruimte voor het opleggen van een maatregel. Het besluit van 21 mei 2015 zal daarom worden herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 september 2015;

- herroept het besluit van 21 mei 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.006,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) P.C. de Wit

HD