Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3250

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
17/3351 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:1988, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De intrekking van de bijstand kan niet in stand blijven. Er is onvoldoende grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3351 PW

Datum uitspraak: 23 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

17 maart 2017, 16/5587 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wijling. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. M.A.C. Kooij.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 9 december 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft tezamen met [naam A] (A) kinderen die ten tijde hier van belang minderjarig waren en met appellante stonden ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Na een politiemelding dat A, die sinds december 2015 staat ingeschreven op het adres [adres 2] ( [adres 2] ) te [woonplaats] , mogelijk verblijft op het uitkeringsadres, heeft de Unit bijzondere onderzoeken van de gemeente Rotterdam (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, informatie opgevraagd bij diverse instanties, waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres, buurtonderzoek verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en de [adres 2] , een getuige gehoord, op 28 januari 2016 tweemaal getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het uitkeringsadres, bankafschriften opgevraagd, informatie ingewonnen bij diverse (voormalige) werkgevers van A en op 1 februari 2016 een gesprek met appellante en A gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport Fraudeonderzoek van 3 maart 2016.

1.3.

Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek heeft het college bij besluit van 25 februari 2016 de bijstand van appellante vanaf 28 januari 2016 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante ten onrechte niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek waardoor het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 8 maart 2016 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 4 januari 2016 tot en met 27 januari 2016 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 715,41 van appellante teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij geen melding heeft gemaakt van het voeren van een gezamenlijke huishouding met A wiens inkomsten hoger zijn dan de bijstandsnorm voor gehuwden, zodat zij vanaf 4 januari 2016 geen recht op bijstand heeft.

1.5.

Bij besluit van eveneens 8 maart 2016, voor zover hier van belang, heeft het college de over de periode van 28 januari 2016 tot en met 31 januari 2016 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 119,23. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante ten onrechte niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6.

Het college heeft aan appellante met ingang van 9 maart 2016 weer bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.7.

Bij besluit van 11 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 25 februari 2016 en de beide besluiten van 8 maart 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf

4 januari 2016 geen recht had op bijstand omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met A. Doordat A inkomsten ontving uit werkzaamheden boven de norm voor gehuwden hadden appellante en A geen recht op (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat, door de wijziging van de grondslag van het besluit van 25 februari 2016, sprake is van schending van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens appellante is het bestreden besluit daardoor niet meer te beschouwen als het resultaat van de heroverweging van het primaire besluit van 25 februari 2016.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6898) staat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg aan de handhaving in bezwaar van een primair besluit op een andere grond dan die waarop dat primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging. Daarbij dient rekening te worden gehouden met feiten die aan het licht zijn gekomen tijdens de bezwaarprocedure, maar alleen indien deze zien op het tijdvak waarop het oorspronkelijke besluit ziet. Gelet hierop was het college bevoegd de resultaten uit het onder 1.2 vermelde onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen. Daarnaast is niet gebleken dat appellante door deze wijziging in haar processuele belangen is geschaad.

4.3.

Ter beoordeling staat het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor zover dat de periode van 4 januari 2016 tot en met 25 februari 2016 betreft.

4.4.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren.

4.5.

Nu uit de relatie van appellante en A kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en A hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Dat appellante en A niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.6.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. In dat kader heeft appellante aangevoerd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op haar adres had. Deze beroepsgrond slaagt.

4.7.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bieden de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Bij de waarnemingen die in de periode van

4 januari 2016 tot en met 20 januari 2016 in de omgeving van het uitkeringsadres op verschillende dagen en tijdstippen zijn verricht is A alleen waargenomen op 14 en 20 januari 2016. Dat de auto met kenteken [kenteken] steeds in de omgeving van het uitkeringsadres is aangetroffen, betekent niet dat A daar ook was. De auto stond toen immers op naam van appellante. Tijdens het gesprek op 1 februari 2016 heeft appellante verklaard dat A deze auto twee of drie weken daarvoor één keer heeft gebruikt en dat hij de sleutel toen van haar heeft gekregen. Verder heeft zij verklaard dat deze auto door een vriend van haar wordt gebruikt. A heeft tijdens het met hem gevoerde gesprek ontkend dat hij deze auto regelmatig gebruikt. De stelling van het college ter zitting dat is waargenomen dat A deze auto gebruikte voor zijn werk en dat deze auto op de parkeerplaats van zijn werkgever is gesignaleerd, heeft het college niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en deze stelling heeft het college niet met objectieve gegevens onderbouwd. Appellante en A hebben op 1 februari 2016 afzonderlijk van elkaar ontkend dat A zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Zij hebben beiden verklaard dat hij wel regelmatig langskwam in verband met de kinderen. Uit voormelde waarnemingen en verklaringen volgt dus niet dat A zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Uit de verklaringen van twee buurtbewoners kan ook niet worden afgeleid dat A zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Een bewoner heeft verklaard dat op nummer [nummer] een vrouw woont met veel kinderen. Zij heeft A herkend van de haar getoonde foto maar heeft verklaard dat zij niet kan aangeven dat appellante en A een stel zijn omdat er meer mannen komen. Een andere bewoner heeft verklaard dat zij niet kan aangeven dat appellante en A een stel zijn. Getuige [naam X] , een collega van A, heeft verklaard dat hij A toestemming heeft gegeven zijn adres, [adres 2] , als postadres te gebruiken, maar dat A daar niet woont. Uit die verklaring kan niet worden afgeleid dat A zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Uit de bankafschriften van A blijkt weliswaar dat A in 2015 regelmatig pintransacties heeft verricht in de omgeving van het uitkeringsadres, maar nu A regelmatig op het uitkeringsadres langskwam in verband met de kinderen kan hieruit evenmin worden geconcludeerd dat hij daar zijn hoofdverblijf had. Het enkele feit dat A bij diverse werkgevers het uitkeringsadres heeft opgegeven als woon- en/of calamiteitenadres biedt evenmin feitelijke grondslag voor het standpunt van het college. Ook wanneer de onderzoeksbevindingen worden bezien in onderlinge samenhang, bieden deze onvoldoende grond voor de conclusie dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.

4.8.

Wat in 4.4 tot en met 4.7 is overwogen leidt tot de slotsom dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat gedurende de periode van 4 januari 2016 tot en met

25 februari 2016 aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand is voldaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Mede in aanmerking genomen dat het college ter zitting van de Raad heeft meegedeeld dat door het tijdsverloop onaannemelijk is dat het geconstateerde gebrek, dat ook aan de besluiten van 25 februari 2016 en 8 maart 2016 kleeft, kan worden hersteld en dat aan appellante met ingang van 9 maart 2016 opnieuw bijstand is toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, ziet de Raad aanleiding om de besluiten van 25 februari 2016 en

8 maart 2016 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 3.006,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 11 juli 2016;

  • -

    herroept de besluiten van 25 februari 2016 en 8 maart 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 11 juli 2016;

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding van de kosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep, begroot op € 3.006,-;

  • -

    bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J.M.M. van Dalen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

TM