Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
15/5181 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CIZ heeft de eerder gestelde indicatie voor persoonlijke verzorging terecht beëindigd en de nieuwe aanvraag om AWBZ‑zorg terecht heeft afgewezen. Voldoende medische grondslag, bevestigd door de door de Raad geraadpleegde deskundige. Volgens die deskundige moet ervan worden uitgegaan dat appellant in de in geding zijnde perioden volledig adl‑zelfstandig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5181 AWBZ, 15/8561 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2015, 14/4840 (aangevallen uitspraak 1) en van 26 november 2015, 15/2619 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CIZ

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken en aanvullende stukken ingediend.

CIZ heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gevoegd plaatsgevonden op 5 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.E.M.C. Koudijs, kantoorgenoot van mr. Brouwer, en de schoonzoon van appellant [A]. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.

De Raad heeft het onderzoek heropend en drs. W. Hokken verzocht als deskundige een onderzoek in te stellen en verslag uit te brengen. Hokken heeft op 30 april 2018 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijze op het rapport naar voren gebracht. Hokken heeft bij brief van 12 juli 2018 op de zienswijze van appellant gereageerd.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is bekend met een chronisch regionaal pijnsyndroom (CRPS) met restklachten aan de rechterhand en -arm na een bedrijfsongeval in 1987. Verder heeft appellant rugklachten en psychische klachten. Appellant beschikte over een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor persoonlijke verzorging, laatstelijk toegekend naar klasse 3, voor de periode van 14 november 2013 tot en met 13 november 2027.

1.2.

Op 6 november 2013 heeft appellant een aanvraag gedaan om uitbreiding van de indicatie voor persoonlijke verzorging. Bij besluit van 2 december 2013 heeft CIZ appellant geïndiceerd voor persoonlijke verzorging, klasse 3, voor de periode van 2 december 2013 tot en met 1 december 2028. De indicatie is toegekend voor hulp bij wassen, aankleden en hulp bij de toiletgang.

1.3.

Bij besluit van 7 juli 2014 (bestreden besluit 1) heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2013 ongegrond verklaard. CIZ heeft zich, voor zover van belang, op het standpunt gesteld dat appellant in staat wordt geacht de zelfzorg uit te voeren met zijn linkerarm en -hand, zo nodig met gebruikmaking van hulpmiddelen. CIZ heeft zijn standpunt doen steunen op een medisch advies van 25 juni 2014. CIZ heeft de toegekende indicatie voor persoonlijke verzorging, klasse 3 met een overgangstermijn van drie maanden beëindigd per 6 oktober 2014.

2.1.

In beroep zijn op 19 februari 2015, 9 maart 2015, 10 maart 2015 en 7 mei 2015 aanvullende medische adviezen uitgebracht. CIZ heeft zijn standpunt gehandhaafd.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, omdat CIZ ten onrechte geen informatie bij de behandelaars van appellant heeft opgevraagd terwijl appellant hierom wel heeft verzocht en hiervoor een machtiging heeft afgegeven. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de aanvullende medische adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om aan de inhoud daarvan te twijfelen. CIZ heeft zijn standpunt hierop kunnen baseren.

3. Op 14 september 2014 heeft appellant een nieuwe aanvraag om AWBZ-zorg gedaan bij CIZ en opnieuw verzocht hem te indiceren voor persoonlijke verzorging. Bij besluit van 6 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 april 2015 (bestreden besluit 2), heeft CIZ deze aanvraag op dezelfde gronden als in bestreden besluit 1 afgewezen. CIZ heeft hierbij verwezen naar de in 1.3 en 2.1 vermelde medische adviezen en een aanvullend medisch advies van 9 maart 2015.

4. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 onder verwijzing naar en overneming van de overwegingen van aangevallen uitspraak 1 ongegrond verklaard.

5. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij zijn linkerarm en -hand niet kan gebruiken voor het uitvoeren van de algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) en de zelfzorg vanwege uitstralende pijn in zijn rug. Ook kan hij geen hulpmiddelen gebruiken.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Tussen partijen is in geschil of CIZ terecht de eerder afgegeven indicatie voor persoonlijke verzorging heeft beëindigd en de nieuwe aanvraag van appellant heeft afgewezen omdat hij wordt geacht de adl‑handelingen en de zelfzorg uit te kunnen voeren met zijn linkerarm en -hand, zo nodig met hulpmiddelen.

6.2.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 5 april 2017 heeft de Raad aanleiding gezien om een nader medisch onderzoek in te stellen door revalidatiearts Hokken. Hokken heeft vastgesteld dat appellant een CRPS met restklachten heeft. De mate van de door appellant ondervonden stoornissen en beperkingen in de rechterarm en -hand is echter zodanig extreem dat dit niet kan worden verklaard op basis van de CRPS. De oorzaak hiervan is niet somatisch. De door appellant ondervonden rugklachten kunnen niet worden geobjectiveerd en het afwijkende looppatroon van appellant kan niet somatisch worden verklaard. Verder is sprake van psychische klachten, te weten een gegeneraliseerde angststoornis, een posttraumatische stress‑stoornis en een aanpassingsstoornis met depressieve stemming, waarvoor behandeling heeft plaatsgevonden en nog steeds plaatsvindt. Op grond van de anamnese, het lichamelijk onderzoek en de gegevens van de behandelend sector concludeert Hokken dat het merendeel van de klachten en beperkingen van appellant is terug te voeren op de psychische klachten van appellant. De extreme mate van pijnbeleving, de beperkingen van de rechter- en ook van de linkerarm, de rugklachten en de loopstoornis hangen hiermee samen. Er is voor de door appellant aangegeven beperkingen op het vakgebied van Hokken geen of een zeer beperkte verklaring. Volgens Hokken moet ervan worden uitgegaan dat appellant in de in geding zijnde perioden volledig adl‑zelfstandig was. Hokken tekent hierbij aan dat er enige beperkingen kunnen zijn met betrekking tot het functionele gebruik van de rechterarm, maar dat dit volledig kan worden gecompenseerd met de linkerarm/-hand. Er is geen indicatie voor het gebruik van een traplift of elleboogkrukken.

6.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van Hokken geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komt de Raad overtuigend voor. De door appellant tegen het rapport aangevoerde bezwaren geven geen aanleiding om de conclusies van Hokken niet te volgen. In het rapport is vermeld op welke wijze het (lichamelijk) onderzoek heeft plaatsgevonden. Hokken heeft in zijn reactie van 12 juli 2018 toegelicht dat wat appellant in zijn zienswijze op het rapport over het (lichamelijk) onderzoek heeft opgemerkt, geen reden vormt tot het aanvullen of inhoudelijk wijzigen van zijn rapport. Dit geeft de Raad geen aanleiding om aan de zorgvuldigheid van de wijze waarop het (lichamelijk) onderzoek is uitgevoerd te twijfelen. Dat de zienswijze van Hokken afwijkt van de opvatting van appellant over zijn medische situatie, is niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Er is onder deze omstandigheden ook geen aanleiding om een andere deskundige te benoemen, zoals appellant heeft verzocht.

6.4.

Uit wat in 6.3 is overwogen vloeit voort dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat CIZ de eerder gestelde indicatie voor persoonlijke verzorging terecht heeft beëindigd en de nieuwe aanvraag van appellant om AWBZ‑zorg terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

7. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en D.S. de Vries en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2018.

(getekend) R.M. van Male

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

NW