Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
17/5378 AWBZ-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering niet-verantwoord pgb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5378 AWBZ-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2017, 17/513 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

Zitting heeft: mr. J.P.A. Boersma

Griffier: W.M. Swinkels

Ter zitting van 3 oktober 2018 zijn verschenen: appellant, bijgestaan door mr. I. Atar, en

[naam vader appellant], vader van appellant, alsmede mr. M.H.D. Saro namens het zorgkantoor. Als tolk is verschenen T. Cetinkaya.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Het zorgkantoor heeft aan appellant voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, tot een bedrag van

€ 41.145,05 netto. Het zorgkantoor heeft de verantwoording van de besteding van dit pgb niet volledig goedgekeurd, omdat declaraties en betalingen van de twee zorgverleners niet goed tot elkaar te herleiden waren. Appellant is daarover ingelicht bij brieven van 28 december 2015. Bij besluit van 30 december 2015 heeft het zorgkantoor het pgb daarom vastgesteld op

€ 22.664,33 met terugvordering van een bedrag van € 18.480,72.

2. Appellant heeft tegen die vaststelling en terugvordering bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarprocedure zijn onder meer bankafschriften, zorgovereenkomsten en een zorgplan opgevraagd. Appellant heeft de gevraagde stukken overgelegd, alsmede enkele bankafschriften en loonstroken. Na beoordeling van het bezwaar en alle overgelegde stukken heeft het zorgkantoor bij besluit van 16 december 2016 het besluit van 30 december 2015 herroepen met vaststelling van het pgb op € 24.134,29 en met terugvordering van een bedrag van € 17.010,76.

3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 16 december 2016 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is geen sprake van strijd met het verbod van reformatio in peius omdat de terugvordering door het besluit van

16 december 2016 juist lager is geworden. Van strijd met artikel 7:9 van de

Algemene wet bestuursrecht is volgens de rechtbank geen sprake, omdat zich na de hoorzitting geen feiten hebben voorgedaan waarover het zorgkantoor appellant voorafgaand aan het nemen van de beslissing op bezwaar had moeten horen. Volgens de rechtbank is tot slot niet gebleken dat appellant door de lagere vaststelling onevenredig wordt getroffen.

3.2.

In het hogerberoepschrift, dat op een enkele zin na gelijkluidend is aan het beroepschrift dat bij de rechtbank is ingediend, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beslissing van de rechtbank onjuist is. Ook zijn bij het hogerberoepschrift geen (nieuwe) stukken overgelegd waaruit dat zou blijken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd en verwijst daarnaar. Daaraan wordt nog toegevoegd dat het pgb als totaalbedrag voor de in het zorgplan beschreven zorgfuncties wordt verleend, waarbij deze functies voor de besteding van het pgb onderling uitwisselbaar zijn, en bij de heroverweging geen sprake is van het nadelig effect van een hogere terugvordering van het pgb. Ook gelet daarop mochten bij de heroverweging in bezwaar alle voor de vaststelling van het pgb relevante stukken, waaronder het zorgplan, worden betrokken. In die zin gaat de vergelijking met de situatie die aan de orde was in de door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 27 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5018, niet op.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) W.M. Swinkels (getekend) mr. J.P.A. Boersma

MD