Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
17/7196 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:6045, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld in haar rapport van 19 oktober 2016 was het behandeltraject van appellante op 1 augustus 2015 niet langer gericht op verbetering maar op pijnbestrijding en klachtenreductie. Geen aanknopingspunten om het standpunt in hoger beroep van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De omstandigheid dat verbetering van de belastbaarheid, zoals door appellante ter zitting is verklaard, niet heeft doorgezet en haar klachten met de jaren alleen maar zijn toegenomen, maakt de beoordeling niet anders. Vaste rechtspraak. Eerst in hoger beroep een deugdelijke verzekeringsgeneeskundige motivering. Uwv veroordeeld in proceskosten appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7196 WIA

Datum uitspraak: 18 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 september 2017, 16/3923 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Labordus hoger beroep ingesteld en een rapport ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Larbordus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Volstaan wordt met het volgende.

1.2.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker bijzonder beheer bij een bank. Zij heeft zich, aansluitend aan een periode waarin zij een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) ontving, op 4 april 2011 ziek gemeld wegens pijnklachten in de onderbuik. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 1 april 2013, tot

1 augustus 2015, recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.3.

In een beslissing op bezwaar van 30 mei 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 27 mei 2015 41,09% bedraagt en haar

WGA-vervolguitkering vanaf 1 augustus 2015 ongewijzigd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.1.

In beroep heeft het Uwv met een beslissing op bezwaar van 20 oktober 2016

(bestreden besluit) zijn besluit van 30 mei 2016 in die zin gewijzigd dat appellante met ingang van 1 augustus 2015 in aanmerking wordt gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht de beperkingen van appellante niet duurzaam omdat (kort gezegd) verbetering van de belastbaarheid nog te verwachten is door een multidisciplinaire aanpak.

2.2.

Appellante heeft zich niet kunnen vinden in het standpunt van het Uwv dat haar volledige arbeidsongeschiktheid per 1 augustus 2015 niet tevens duurzaam is.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover relevant in hoger beroep, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op steekhoudende wijze gemotiveerd heeft dat appellante volledig, maar niet duurzaam, arbeidsongeschikt is. De rechtbank leidt uit de voorhanden zijnde medische informatie af dat een revalidatietraject tot verbetering van de functionele mogelijkheden van appellante zou kunnen leiden. De omstandigheid dat appellante heeft afgezien van dit traject, maakt niet dat die verwachting onjuist was. Verwezen wordt naar een uitspraak van de Raad van 14 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3850).

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor een IVA-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting beperkt het hoger beroep zich tot de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante op 1 augustus 2015 tevens als duurzaam is aan te merken.

4.2.

Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. De omstandigheid dat de behandelingen, achteraf gezien, geen dan wel minder verbetering hebben gebracht dan was te verwachten, is geen grond om aan te nemen dat de verwachting van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) die bestond ten tijde van de beoordeling voor onjuist moet worden gehouden.

4.3.

Anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld in haar rapport van

19 oktober 2016 dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, was het behandeltraject van appellante op 1 augustus 2015 niet langer gericht op een eventuele verbetering van de belastbaarheid door een intensief revalidatietraject, maar op pijnbestrijding en klachtenreductie. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt ingenomen dat uit de brief van 3 augustus 2015 van de orthopedisch chirurg R.M.H. Roumen blijkt dat er nog een analyse zou gaan plaatsvinden om na te gaan of appellante geschikt is voor het plaatsen van een neuromodulatie katheter. Doel van de behandeling is het verminderen van pijn door het uitschakelen van de zenuwen die het betrokken pijngebied verzorgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat door vermindering van de pijn verbetering van de functionele mogelijkheden verwacht mag worden, doordat appellante bijvoorbeeld makkelijker kan zitten en bewegen, en minder pijnstillende medicatie (die de reactie kan beïnvloeden) nodig heeft. Anders dan appellante heeft gesteld zijn er geen aanknopingspunten om dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Dat de orthopedisch chirurg heeft vermeld dat het om een intensief traject gaat en de prognose daarbij onzeker is, maakt dit niet anders. Appellante heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat zij op 13 oktober 2015 en 8 maart 2016 zenuwblokkades heeft gehad en dat zij na de eerste behandeling beter kon zitten en slapen. Een tweede zenuwblokkade heeft geen effect gehad. Uit informatie van een pijnbehandelaar van 1 december 2015 komt verder naar voren dat appellante baat heeft gehad bij gebruik van een TENS apparaat. De omstandigheid dat verbetering van de belastbaarheid, zoals door appellante ter zitting is verklaard, niet heeft doorgezet en haar klachten met de jaren alleen maar zijn toegenomen, maakt de beoordeling niet anders. Zoals is geoordeeld in de uitspraak van de Raad van 16 december 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK7027), vormt de omstandigheid, dat een behandeling – achteraf gezien – geen dan wel minder verbetering heeft gebracht dan op de datum in geding was te verwachten, op zichzelf geen grond om aan te nemen dat de verwachting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist moet worden gehouden.

4.4.

Het Uwv heeft pas in hoger beroep een deugdelijke verzekeringsgeneeskundige motivering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit gebrek zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd omdat aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van de gronden.

5. In verband met wat in 4.4 is overwogen, is er aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze worden begroot op € 2.004,- aan kosten voor rechtsbijstand in beroep, € 1.002,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal

€ 3.006,-. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.006,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2018.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) J.R. Trox

IvR