Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3195

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
17/5608 WMO15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:5142, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De hogerberoepsgronden horen thuis in een procedure tegen het besluit van het college waarbij de bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening aan appellante is opgelegd en niet in deze procedure tegen CAK waarbij op grond van dwingendrechtelijke bepalingen de hoogte van de bijdrage is vastgesteld. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5608 WMO15

Datum uitspraak: 17 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

7 juli 2017, 16/5789 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CAK

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018. Appellante is niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.C.A. van Eer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 9 september 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor de periode van 20 juli 2015 tot en met 10 januari 2016 een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van begeleiding. De kostprijs van de voorziening bedraagt (maximaal) € 140,- per week. Voor de voorziening moet appellante een bijdrage betalen. De bijdrage wordt vastgesteld door CAK.

1.2.

Bij besluit van 9 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft CAK zijn besluiten van

18 april 2016 en 19 mei 2016 na bezwaar gehandhaafd. Bij die besluiten heeft CAK appellante meegedeeld dat zij voor de perioden tien tot en met dertien, van 7 september 2015 tot en met 3 januari 2016, een bedrag van in totaal € 77,60 verschuldigd is als bijdrage in de kosten van de haar verstrekte maatwerkvoorziening en dat een verlaging van de bij besluit van 30 maart 2016 vastgestelde maximale periodebijdrage van € 19,40 niet mogelijk is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar financiële situatie dermate nijpend is dat CAK in haar geval had moeten afzien van het opleggen van een bijdrage.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3358, volgt uit de wettelijke systematiek van de Wmo 2015 dat het college beslist of degene aan wie een maatwerkvoorziening wordt verstrekt, daarvoor een bijdrage verschuldigd zal zijn en dat de bijdrage, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en geïnd door CAK. Zoals eerder overwogen in de uitspraak van

13 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1811, gaat de bevoegdheid van CAK niet verder dan de vaststelling dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet te boven gaat en de vaststelling dat de bijdrage niet hoger is dan de vastgestelde maximale periodebijdrage. Het ligt op de weg van het college om een betrokkene voldoende te informeren over de verschuldigdheid van de bijdrage en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten. Indien een betrokkene van oordeel is dat een besluit waarbij de maatwerkvoorziening wordt verstrekt op dat punt onjuist of onduidelijk is, ligt het op de weg van de betrokkene om tegen dat besluit bezwaar te maken.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat de hogerberoepsgronden thuishoren in een procedure tegen het onder 1.1 genoemde besluit van het college waarbij de bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening aan appellante is opgelegd en niet in deze procedure tegen CAK waarbij op grond van dwingendrechtelijke bepalingen de hoogte van de bijdrage is vastgesteld. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) O.V. Vries

GdJ