Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
17/5420 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Aanvraag voor voorziening voor medische behandeling en medicijnen in verband met osteoporose en blaasklachten terecht afgewezen. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5420 WUV

Datum uitspraak: 11 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 juli 2017, kenmerk BZ011072550 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2018. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

Het onderzoek is heropend na de zitting. Verweerder heeft desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt. Daarnaast heeft verweerder een advies overgelegd van geneeskundig adviseur

A.M. Ohlenschlager, arts.

Het onderzoek ter zitting is vervolgd op 31 augustus 2018. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1936, is in 1975 op grond van onderduik erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat zij psychische klachten heeft die in verband staan met de onderduik. Een dergelijk verband is niet aanvaard voor de osteoporose. Aan appellante is onder meer een periodieke uitkering toegekend.

1.2.

In oktober 2016 heeft appellante - voor zover hier van belang - verzocht om een voorziening voor medische behandeling en medicijnen in verband met osteoporose en blaasklachten.

1.3.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 6 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat de gevraagde voorzieningen niet in verband staan met de uit de vervolging voortvloeiende klachten van appellante. Hiertoe is overwogen dat appellante niet voldoet aan het sinds 1 maart 2015 geldende beleid dat onder voorwaarden een verband kan worden aangenomen tussen de vervolging en de osteoporose, omdat niet is gebleken van een slechtere voedingssituatie tijdens de onderduik van appellante dan de situatie die ter plaatse gold. De steeds terugkerende blaasontstekingen worden toegeschreven aan constitutioneel bepaalde aandoeningen.

2. In beroep, evenals in bezwaar, stelt appellante dat de bij haar aanwezige osteoporose en blaasklachten verband houden met haar onderduikperiode.

3. De Raad komt tot volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 20 van de Wuv worden, kort samengevat, indien de vervolgde ziekten of gebreken heeft die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan, de daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen volledig vergoed.

Osteoporose

3.2.1.

Ter zitting van 19 april 2018, en herhaald ter zitting van 31 augustus 2018, is namens verweerder nader het standpunt ingenomen dat er, los van het niet voldoen aan de geldende beleidscriteria, een duidelijk andere oorzaak bestaat voor het ontstaan van de osteoporose bij appellante. Het bestreden besluit berust daarmee op dit punt niet op een deugdelijke motivering en is in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat appellante hierdoor niet wordt benadeeld, ziet de Raad aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

3.2.2.

Het nader ingenomen standpunt van verweerder berust op het medisch advies van Ohlenschlager. Uit dit advies komt naar voren dat bij appellante in 1965 de linker eierstok is verwijderd en 1971 de rechter eierstok en baarmoeder. Vanaf 1971 was er dus geen oestrogeenproductie meer. De osteoporose is in 1987 vastgesteld en werd pas vanaf toen behandeld. Er is dus een langdurig tekort geweest aan oestrogenen en dat maakt dat de eierstokverwijderingen een belangrijke factor waren voor het ontwikkelen van de osteoporose. De onderduik was hierop niet van invloed, aldus Ohlenschlager.

3.2.3.

In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het nadere standpunt dat verweerder, in het voetspoor van zijn geneeskundig adviseur, heeft ingenomen. Een ter zitting door appellante geopperd verband tussen (de noodzaak van) de eierstokverwijderingen en de vervolging is niet gestaafd met medische gegevens. De resultaten van onderzoek uit het verleden naar een mogelijk verband tussen bij Joodse vrouwen gesignaleerde buikklachten en de vervolging zijn naar zeggen van appellante niet meer voorhanden.

Blaasklachten

3.3.1.

Verweerder heeft in overeenstemming met een tweetal adviezen van zijn geneeskundig adviseurs R. Loonstein en R.J. Roelofs, artsen, het standpunt ingenomen dat de steeds terugkerende blaasontstekingen niet in verband staan met de onderduik. Toegelicht is dat appellante verhoogd vatbaar is voor ontstekingen van de blaas en dat dit verschillende oorzaken kan hebben, bijvoorbeeld een te korte urineleider, een niet optimaal werkend immuunsysteem, anatomische of secundaire afwijkingen in de blaasregio. Appellante stelt dat haar terugkerende blaasontstekingen zijn veroorzaakt door verblijf in een meterkast tijdens de onderduik. Omdat zij toen niet naar het toilet kon/mocht gaan heeft zij noodgedwongen in een bakje moeten plassen, waardoor een bacterie in haar blaas terecht is gekomen. Die stelling is medisch niet houdbaar, aldus de geneeskundig adviseurs.

3.3.2.

Medische gegevens die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet aangetroffen.

3.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J.M.M. van Dalen

IJ