Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
18/782 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:8408, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waarnemingstoelage ten onrechte geweigerd. Vanaf april 2013 was sprake van het tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden dat een andere, hoger gewaardeerde, functie vormde dan die van de formele functie van appellanten. Dit samenstel van werkzaamheden, dat door het bevoegd gezag is opgedragen, betrof hier de werkzaamheden van [functie 5], salarisschaal 10. Dit betekent dat sprake was van waarneming in de zin van artikel 17 van het Bbp. De korpschef heeft de toekenning van de waarnemingstoelage over de periode van 1 april 2013 tot 1 juli 2016 dan ook in redelijkheid niet kunnen weigeren. De Raad voorziet zelf in de zaak en kent appellanten over de periode van 1 april 2013 tot 1 juli 2016 alsnog, conform artikel 17, derde lid, van het Bbp, een volledige waarnemingstoelage toekennen ter grootte van het verschil tussen salarisschaal 9 en 10 wegens het volledig waarnemen van de functie van [functie 5].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 782 AW, 18/783 AW, 18/784 AW, 18/785 AW

Datum uitspraak: 11 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2017, 17/1715, 17/1716, 17/1717 en 17/1718 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats 1] , [appellant 2] te [woonplaats 2] , [appellant 3] te [woonplaats 3] en [appellant 4] te [woonplaats 4] (appellanten)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.P.D. IJsendorn hoger beroep ingesteld.

Mr. K. Kromhout heeft zich vervolgens als opvolgend gemachtigde van appellanten gesteld.

De korpschef heeft bij wijze van verweer verwezen naar de bestreden besluiten en het verweerschrift in eerste aanleg.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Appellanten [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 4] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Kromhout, die tevens appellant [appellant 3] heeft vertegenwoordigd. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.G. Haverkamp.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten waren allen werkzaam in de functie van [functie 1], salarisschaal 9. In verband met de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nationale Politie (LFNP) zijn appellanten [appellant 1] en [appellant 3] overgegaan naar de functie van [functie 2] en appellanten [appellant 2] en [appellant 4] naar de functie van [functie 3]. Voor beide functies geldt salarisschaal 9. Appellanten verrichtten sinds april 2013 binnen de Forensische Opsporing (FO) werkzaamheden als [functie 4] ([functie 4]).

1.2.

Appellanten hebben in februari 2016 de korpschef vanwege hun werkzaamheden als [functie 4] verzocht om toekenning van een waarnemingstoelage, alsmede plaatsing in de functie van [functie 5], salarisschaal 10. Bij besluiten van 25 april 2016 heeft de korpschef deze verzoeken afgewezen. Hiertegen hebben appellanten bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluiten van 12 december 2016 zijn appellanten met ingang van 1 juli 2016 alsnog geplaatst in de functie van [functie 5], salarisschaal 10. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellanten voldoen aan de voorwaarden van de Notitie tijdelijke tewerkstellingen in fase 2 (Notitie), omdat zij reeds langere tijd de functie van [functie 5] feitelijk vervullen.

1.4.

Bij besluiten van 26 januari 2017 (appellanten [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] ) onderscheidenlijk 31 januari 2017 (appellant [appellant 4] ), hierna: bestreden besluiten, heeft de korpschef de bezwaren van appellanten, voor zover deze de waarnemingstoelage betreffen, ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten is ten grondslag gelegd dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om ervan uit te gaan dat vanaf april 2013 sprake zou zijn van een tijdelijke tewerkstelling in de vorm van waarneming van de functie van [functie 5] zoals bedoeld in artikel 17 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Binnen het proces van de FO zijn verschillende rollen benoemd, waaronder de rol van [functie 4]. Deze rol behoorde tot één van de werkzaamheden binnen de functie waarop appellanten formeel waren benoemd en was dus niet aan te merken als een samenstel van werkzaamheden dat een andere functie vormde dan de functie van appellanten zelf. Dat de rol van [functie 4] zich tijdens de vorming van de Nationale Politie uiteindelijk heeft ontwikkeld naar de nieuwe functie van [functie 4] (LFNP-functie [functie 5]), die is opgenomen in het inrichtingsplan en waarvan de vacature in augustus 2016 landelijk is opengesteld, doet hier niet aan af, aldus de korpschef.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de rol van [functie 4] deel uitmaakte van de functie waarin appellanten formeel waren benoemd en dat daarnaast uit het dossier blijkt dat de rol van [functie 4] zich pas later heeft ontwikkeld tot de functie van [functie 4] (LFNP-functie [functie 5]). Van langdurige waarneming in de LFNP-functie van [functie 5] is dan ook geen sprake geweest.

3. In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat met hun plaatsing in de functie van [functie 5] op grond van het beleid, neergelegd in de Notitie, vast is komen te staan dat zij ten minste gedurende drie jaar voorafgaand aan de plaatsing feitelijk een andere, hoger gewaardeerde functie vervulden dan hun formele functie. De oordelen van de rechtbank, dat de werkzaamheden onder de organieke functie vielen en deze zich pas later hebben ontwikkeld tot de functie van [functie 5], zijn onverenigbaar met een succesvol beroep op dit beleid. Daarbij heeft de rechtbank onvoldoende acht geslagen op de verklaring van de leidinggevende van appellanten, waarin hun stellingen zijn bevestigd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van het Bbp kan aan de ambtenaar die bij wijze van waarneming tijdelijk een functie uitoefent die bij toepassing van artikel 6, tweede lid, van het Bbp zou leiden tot een salarisschaal met een hoger maximumsalaris, voor de duur van die waarneming een toelage worden toegekend. Onder waarneming wordt verstaan het krachtens een daartoe strekkende aanwijzing van het bevoegd gezag tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden dat een andere functie vormt dan die van de ambtenaar zelf.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de unit FO met ingang van april 2013 gestart is met het werken met [functie 4]’s en dat appellanten vanaf april 2013 deze [functie 4]-werkzaamheden hebben verricht. Over de omvang van deze werkzaamheden en het niveau hiervan in de periode van april 2013 tot juli 2016 verschillen partijen wel van mening. De stelling van appellanten dat zij van de aanvang af volledig werden ingezet als [functie 4], wordt ondersteund door de

- meermalen afgelegde - verklaring van de Teamchef FO, de leidinggevende van appellanten. Die verklaring houdt in dat appellanten vanaf 2013 als [functie 4] zijn begonnen en dat deze werkzaamheden een volledig takenpakket vormden en niet een onderdeel daarvan. Ook is in deze verklaring tot uitdrukking gebracht dat de [functie 4]-werkzaamheden van appellanten in meerdere opzichten het niveau van de formele functie overstegen. De leidinggevende heeft in dat kader de stelling van appellanten bevestigd, dat zij sinds april 2013 alle taken vervulden die in de vacaturetekst van de functie van [functie 4] zijn beschreven. In deze vacature is vermeld dat de functie van [functie 4] de LFNP-functie van [functie 5], salarisschaal 10, betreft. De korpschef heeft de juistheid van de verklaring van de leidinggevende als zodanig niet betwist. De Raad constateert voorts dat het zich in het dossier bevindende Formatieplan van de unit FO hierbij aansluit, nu het Formatieplan vermeldt dat de rol van het forensisch coördineren toekomt aan de functie van [functie 5]. Dit alles ligt bovendien geheel in lijn met de besluiten van de korpschef van 12 december 2016 om appellanten met ingang van 1 juli 2016 te plaatsen in de functie van [functie 5], juist omdat zij deze functie ten minste drie jaar feitelijk hadden verricht. Het door de korpschef daartegenover bepleite standpunt, dat geen sprake was van het verrichten van een andere functie en dat de [functie 4]-werkzaamheden van appellanten (slechts) een rol betroffen, volgt de Raad niet. Bepalend is immers het samenstel van werkzaamheden dat door het bevoegd gezag is opgedragen en deze betroffen in dit geval de [functie 4]-werkzaamheden. Dat de functie van [functie 4] niet voorkomt in het nieuwe functiehuis maakt dat in het voorliggende geval niet anders (vergelijk de uitspraak van de Raad van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1554). Dat geldt ook voor het feit dat de taken van [functie 4] pas op

1 juli 2016 - in het kader van de personele plaatsing - formeel bij de functie van [functie 5] zijn ondergebracht.

4.3.

Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat vanaf april 2013 sprake was van het tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden dat een andere, hoger gewaardeerde, functie vormde dan die van de formele functie van appellanten. Dit samenstel van werkzaamheden, dat door het bevoegd gezag is opgedragen, betrof hier de werkzaamheden van [functie 5], salarisschaal 10. Dit betekent dat sprake was van waarneming in de zin van artikel 17 van het Bbp. De korpschef heeft de toekenning van de waarnemingstoelage over de periode van 1 april 2013 tot 1 juli 2016 dan ook in redelijkheid niet kunnen weigeren.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt reeds dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Om die reden komt de Raad niet toe aan het door appellanten gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4.5.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. Verder zal de Raad zelf in de zaak voorzien en, in zoverre met herroeping van de besluiten van 25 april 2016, appellanten over de periode van 1 april 2013 tot 1 juli 2016 alsnog, conform artikel 17, derde lid, van het Bbp, een volledige waarnemingstoelage toekennen ter grootte van het verschil tussen salarisschaal 9 en 10 wegens het volledig waarnemen van de functie van [functie 5].

5. Over de (proces)kosten overweegt de Raad als volgt. Het verzoek van appellanten tot vergoeding van de kosten van bezwaar wordt afgewezen, omdat deze kosten reeds in de bezwaarfase, in het kader van de besluiten van 12 december 2016 betreffende de plaatsing, aan appellanten [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] zijn vergoed en niet is gebleken van daarna gemaakte aanvullende kosten van bezwaar in het kader van de waarnemingstoelage. Aan appellant [appellant 4] heeft de korpschef terecht geen bezwaarkosten toegekend, omdat vergoeding van deze kosten in de bezwaarfase door hem niet is verzocht. Wel bestaat aanleiding om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal

€ 2.004,- voor verleende rechtsbijstand. Omdat in alle zaken de rechtsbijstand is verleend door mr. IJsendorn en mr. Kromhout, beiden werkzaam bij de FNV, de zaken door de rechtbank en de Raad gelijktijdig zijn behandeld en de werkzaamheden in die zaken in (hoger) beroep nagenoeg identiek zijn, worden de zaken aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Bpb, zodat zij voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak zijn te beschouwen. De proceskostenveroordeling zal worden verhoogd met de in de bijlage bij het Bpb onder C2 genoemde factor 1,5 omdat sprake is van vier samenhangende zaken. De voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedragen dus in totaal € 3.006,-, zijnde € 751,50 voor ieder van appellanten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de besluiten van 26 januari 2017 onderscheidenlijk 31 januari 2017;

- herroept de besluiten van 25 april 2016, kent aan appellanten voor de periode van 1 april 2013 tot 1 juli 2016 een waarnemingstoelage toe ter grootte van het verschil tussen salarisschaal 9 en 10 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 26 januari 2017 onderscheidenlijk 31 januari 2017;

- veroordeelt de korpschef in de kosten van ieder van appellanten tot een bedrag van € 751,50;

- bepaalt dat de korpschef aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 421,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2018.

(getekend) H. Lagas

(getekend) F. Demiroğlu

MD