Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
17/5134 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering voorschot. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5134 PW

Datum uitspraak: 16 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

9 juni 2017, 17/218 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 februari 2016 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellante ontving tot en met 27 maart 2016 een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo). Na beëindiging van de Wazo-uitkering heeft appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aangevraagd. In afwachting van een beslissing op deze aanvraag hebben appellanten op 15 april 2016 een aanvraag op grond van de Participatiewet (PW) bij het college ingediend.

1.2.

Bij besluiten van 26 mei 2016 en 21 juni 2016 heeft het college voorschotten verleend van € 1.086,01 onderscheidenlijk € 1.186,01, in totaal € 2.272,02.

1.3.

Bij besluit van 27 juni 2016 (besluit 1) heeft het college de aanvraag om bijstand van appellanten afgewezen op de grond dat beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening in de vorm van een ZW-uitkering.

1.4.

Bij besluit van 1 juli 2016 (besluit 2) heeft het college de aan appellanten verleende voorschotten van in totaal € 2.272,02 teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 30 november 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college, samengevat, ten grondslag gelegd dat appellanten geen recht op bijstand hebben en dat gelet daarop de verstrekte voorschotten moeten worden terugbetaald.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode, die loopt van 15 april 2016 tot en met 27 juni 2016, geen recht op bijstand bestond. Het geschil is beperkt tot het antwoord op de vraag of het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid de verleende voorschotten terug te vorderen.

4.2.

Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de PW kan het college de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat. In het achtste lid is bepaald dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.3.

Vaststaat dat het college de teruggevorderde voorschotten met toepassing van artikel 52 van de PW aan appellanten heeft verstrekt. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat zij er redelijkerwijs op mochten vertrouwen dat het voorschot correct en op goede gronden aan hen was verstrekt en dat zij dit niet hoefden terug te betalen.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een toezegging van de zijde van het college als hiervoor bedoeld waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Voorts heeft het college bij de toekenning van de voorschotten nadrukkelijk vermeld dat appellanten de voorschotten dienen terug te betalen indien - achteraf - blijkt dat geen recht op bijstand bestaat. Anders dan appellanten hebben betoogd kan daarom aan de toekenning van de voorschotten niet de verwachting worden ontleend dat het college de aanvraag om bijstand zal honoreren.

4.5.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hiertoe hebben zij gesteld dat de terugvordering van de verstrekte voorschotten hen in ernstige financiële problemen brengt, mede gelet op hun hoge vaste lasten en schulden.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. De door appellanten aangevoerde financiële problemen vormen geen dringende reden om van terugvordering af te zien, te minder omdat zij als schuldenaar in ieder geval de bescherming kunnen inroepen van de wettelijke regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

IJ