Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3163

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
17/390 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf op adres van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 390 PW

Datum uitspraak: 16 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2016, 16/1022 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Sluis (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Schuttkowski, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Schuttkowski. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. C.G.M.E. Poppe. Als tolk is verschenen D. Hosseini.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen in de periode van 28 september 2010 tot en met 13 december 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden. Zij stonden samen ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam 1] (uitkeringsadres). Nadat hun relatie was verbroken, is appellante op het uitkeringsadres blijven wonen. Zij ontving in de periode van 14 december 2013 tot en met 16 juli 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. In de periode van 17 juli 2014 tot en met 8 september 2014 ontving appellante bijstand naar de norm voor gehuwden met haar broer. In de periode van 9 september 2014 tot en met 30 november 2014 ontving appellante opnieuw bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college heeft de bijstand van appellante met ingang van 1 december 2014 beëindigd. Appellant stond tot 1 oktober 2014 ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaatsnaam 2] en vanaf 1 oktober 2014 op het adres [adres 3] te [woonplaats] ( [adres 3] ), waar hij een winkel had.

1.2.

Medewerkers van de gemeente Sluis hebben in oktober 2014 enkele waarnemingen gedaan rond de [adres 3] . Het viel hen op dat er nooit licht brandde in de woning boven de winkel van appellant. Deze waarnemingen en het feit dat appellant vaak namens appellante contact opnam met het college en haar vergezelde bij afspraken bij het college heeft bij het college het vermoeden doen ontstaan dat appellant zijn hoofdverblijf heeft bij appellante op het uitkeringsadres. Vervolgens heeft een medewerker van de sociale recherche Zeeuws-Vlaanderen (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder andere de gegevens van waterverbruik op de [adres 3] opgevraagd en dossieronderzoek verricht. Daarnaast hebben sociaal rechercheurs in de periode van 28 oktober 2014 tot en met

11 december 2014 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en bij de [adres 3] en op 11 december 2014 een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres en de [adres 3] , een buurtonderzoek gedaan op beide adressen en op 11 december 2014 gesproken met appellanten. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 januari 2015.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

30 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 januari 2016 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 5 september 2014 in te trekken en de over de periode van 5 september 2014 tot en met 30 november 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 3.493,49 terug te vorderen van appellante en mede terug te vorderen van appellant. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante, zonder daarvan melding te maken bij het college een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant in de woning op het uitkeringsadres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 5 september 2014 tot en met 30 november 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet (PW) wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Van een gezamenlijke huishouding is op grond van artikel 3, derde lid, van de PW sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de PW wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbende hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

4.5.

Niet in geschil is dat appellanten gedurende de periode van 28 september 2010 tot en met 13 december 2013 voor de verlening van bijstand zijn aangemerkt als gehuwden. Dit was binnen een periode van twee jaar voorafgaand aan de beëindiging van de bijstand met ingang van 5 september 2014. Hieruit volgt dat voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend is of appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.6.

Appellanten stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de Basisregistratie personen ingeschreven. Dat staat echter op zichzelf niet in de weg aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Aannemelijk zal moeten zijn dat het uitkeringsadres als hoofdverblijf van beiden fungeert. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.7.

De onderzoeksgegevens bieden geen toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat ook appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De verklaringen van de buurtbewoners rond het uitkeringsadres houden in dat zij de auto van appellant sinds een paar weken vaak geparkeerd zien staan in de buurt van het uitkeringsadres. De meeste buurtbewoners kennen appellant uit de tijd dat hij samen met appellante op het uitkeringsadres stond ingeschreven. Een van de buurtbewoners, [naam X] ( [X] ), verklaart verder nog dat hij appellant sinds drie weken vaak rond 20.00 uur zijn auto ziet parkeren en rond 08.00 uur de volgende dag weer met de auto ziet vertrekken. Volgens [X] wonen appellanten sinds drie weken weer bij elkaar. Echter, zowel de verklaring van [X] als de verklaringen van de andere buurtbewoners bevatten, anders dan dat zij de auto van appellant vaak zien, geen concrete feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat appellant het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het uitkeringsadres had. De verklaringen van appellanten houden in dat appellant begin december 2014 geregeld langskwam voor overleg in verband met de situatie van de zoon van appellante. Tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres waren appellanten beiden aanwezig, maar er zijn geen persoonlijke spullen van appellant aangetroffen. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant in de te beoordelen periode het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het uitkeringsadres had.

4.8.

Dit wordt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet anders voor zover uit de onderzoeksgegevens zou blijken dat appellant niet op de [adres 3] verbleef. Daarmee is immers nog geen antwoord gegeven op de vraag waar het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellant dan wel lag. De enkele omstandigheid dat appellant regelmatig bij appellante was, is daartoe onvoldoende. De beroepsgronden die appellanten aanvoeren tegen het onderzoek naar de [adres 3] behoeven gelet hierop geen bespreking.

4.9.

Uit 4.7 en 4.8 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Met het oog op een definitieve geschilbeslechting overweegt de Raad als volgt. Het college heeft desgevraagd ter zitting verklaard geen mogelijkheid te zien nog nader onderzoek te doen naar het hoofdverblijf van appellant in de te beoordelen periode, gelet op het tijdsverloop en de gewijzigde omstandigheden. De Raad ziet daarin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 30 juni 2015 te herroepen, aangezien aan dit besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en dit gebrek niet meer kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 3.006,- voor verleende rechtsbijstand en € 121,92 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 januari 2016 gegrond en vernietigt dat
besluit;

- herroept het besluit van 30 juni 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van
het vernietigde besluit van 15 januari 2016;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 3.127,92;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A. Stehouwer en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) S.A. de Graaff

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

IJ