Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
16/3875 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking. Niet verstrekken CIN-nummer. Schending medewerkingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3875 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2016, 15/4168 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 18 september 2018

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte

Griffier: F.H.R.M. Robbers

Namens appellant is mr. M.I. L’Ghdas ter zitting verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. De Svb voert in de periode 2013 tot en met 2019 een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling) van alle
AIO-gerechtigden. In het kader daarvan is appellant laatstelijk op 17 november 2014 verzocht zijn CIN-nummer te verstrekken. Appellant heeft op 15 december 2014 meegedeeld dit te weigeren. Bij besluit van 7 januari 2015 (besluit 1) heeft de Svb het recht van appellant met ingang van 1 januari 2015 opgeschort. Bij besluit van 23 januari 2015 (besluit 2) heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (PW) met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken. Aan deze besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat door weigering van appellant om binnen de bij besluit 1 gegeven hersteltermijn zijn CIN-nummer te overleggen, het recht op AIO-aanvulling vanaf
1 januari 2015 niet is vast te stellen.

2. Bij besluit van 29 juni 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat en voor zover in dit geding van belang - geoordeeld dat appellant, door zijn CIN-nummer niet te verstrekken, niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW op hem rustende inlichtingenverplichting, waardoor zijn recht op AIO-aanvulling niet is vast te stellen.

4. In zijn uitspraken van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:808, ECLI:NL:CRVB:2018:809 en ECLI:NL:CRVB:2018:810, heeft de Raad geoordeeld dat de appellanten in die zaken, door hun CIN-nummers niet over te leggen, onvoldoende medewerking hebben verleend aan het onderzoek naar vermogen in Marokko en dat de Svb bevoegd was om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op AIO-aanvulling op te schorten en, na het ongebruikt verstrijken van de geboden hersteltermijn, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken.

5. Bij brief van 12 juli 2018 heeft de Raad appellant verzocht of de onder 4 genoemde uitspraak ECLI:NL:CRVB:2018:808 en de uitspraak van 5 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1751 hem aanleiding gaven tot wijzing van/aanvulling op zijn beroepsgronden. Appellant heeft hierop gereageerd met toezending van een kopie van een

e-mailbericht van 20 maart 2018, waarin de Svb in het kader van een aanvraag om een

AIO-aanvulling een betrokkene informeert dat het CIN-nummer geen gegeven is dat nodig is voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van de AIO-aanvulling.

6. De in het e-mailbericht van 20 maart 2018 weergegeven situatie betreft een aanvraagsituatie van een betrokkene. De Svb vindt kennelijk het CIN-nummer in dat geval niet nodig om het recht op en de hoogte van de AIO-aanvulling van een betrokkene vast te stellen. Dit ligt voor de Svb anders indien zij bij een lopende uitkering een onderzoek start ter verificatie van de door een betrokkene verstrekte informatie over inkomen en vermogen in Marokko, of het ontbreken daarvan. In zo’n situatie, zoals ook hier in geding, heeft de Raad in de genoemde uitspraken geoordeeld dat het niet overleggen van het CIN-nummer een schending van de medewerkingsverplichting oplevert. Anders dan appellant heeft betoogd, kan, gelet op deze verschillende situaties, zijn beroep op het gelijkheids- en rechtzekerheidsbeginsel niet slagen. De overige gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn identiek aan de beroepsgronden die betrokkenen in de onder 4 vermelde zaken hebben aangevoerd. De Raad is in de onder 4 genoemde uitspraken gemotiveerd op die beroepsgronden ingegaan en verworpen. Geen grond bestaat om in deze zaak tot een ander oordeel te komen.

7. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het niet overleggen van het CIN-nummer echter ten onrechte gekwalificeerd als schending van de inlichtingenverplichting in plaats van schending van de medewerkingsverplichting. Gelet hierop zal de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) O.L.H.W.I. Korte

MD