Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3156

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
16/6733 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering. Verzwegen schoonmaakwerkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6733 PW

Datum uitspraak: 9 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

29 september 2016, 16/787 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft Ö. Bahçeci hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bahçeci. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Rijkers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 18 januari 2013 bijstand naar de norm voor alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 11 oktober 2014 dat appellante een schoonmaakbedrijf zou runnen en zelf ook schoonmaakwerkzaamheden zou verrichten, heeft het Team Bijzonder Onderzoek van de gemeente [woonplaats] een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is administratief onderzoek verricht, zijn waarnemingen verricht bij de woning van appellante, is appellante gehoord en zijn getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 14 december 2015. In dit rapport is onder meer het volgende beschreven. Appellante heeft verklaard dat zij eenmaal per week, op dinsdag om 9.00 uur of 9.30 uur, naar de woning van [naam A] ( [A] ) aan het [adres van A] te [woonplaats] (woning van [A] ) gaat, waar zij meehelpt met verven, stofzuigen en ramen wassen. Appellante spreekt verder regelmatig af bij [naam B] ( [B] ) thuis aan het [adres van B] te [woonplaats]

(woning van [B] ) om de Nederlandse taal te leren. Zij gaat daar om ongeveer 9.00 uur/9.15 uur naar toe en blijft daar tot 13.00 uur, soms tot 13.30 uur. In het algemeen gaat appellante iedere week op vrijdag en soms op zaterdagavond daar naar toe. Appellante helpt daar af en toe met opruimen, het wassen van ramen en gordijnen. Appellante heeft een sleutel van de woning van [B] . [A] heeft op 30 juli 2015 verklaard dat hij appellante ongeveer een jaar kent. Zij helpt weleens met klusjes in de huishouding, bijvoorbeeld ramen wassen, schoonmaken en kasten opruimen. Appellante heeft in een tweetal gesprekken op 29 september 2015 en

20 november 2015 de verklaringen van [A] bevestigd en verklaard dat zij soms geld van [A] kreeg, meestal € 10,- tot € 20,- per keer, uitsluitend bestemd voor haar kinderen. Appellante heeft in het voornoemde gesprek op 29 september 2015 eveneens verklaard dat [B] appellante hielp met de Nederlandse taal en dat zij in ruil daarvoor [B] hielp bij huishoudelijke klussen en het jongste kind van [B] opving als die uit school kwam. [B] heeft op 3 december 2015 de verklaringen van appellante bevestigd.

1.3.

Bij besluit van 14 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

2 februari 2016, heeft het college de bijstand van appellante herzien over de periode

1 december 2013 tot en met 31 mei 2015 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.453,98 van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 1 december 2013 tot en met

31 mei 2015 op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht in de vorm van schoonmaakwerkzaamheden. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat appellante sinds 1 januari 2013 ongeveer tien uur per maand schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht in de woning van [B] en in de periode 1 januari 2014 tot en met 30 april 2015 ongeveer vier uur per maand in de woning van [A] . Door hiervan geen melding te maken bij het college heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden. Het college heeft de inkomsten schattenderwijs vastgesteld en in mindering gebracht op de bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een besluit tot herziening of intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening of intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Niet langer in geschil is dat appellante in de periode van 1 december 2013 tot en met

31 mei 2015 (te beoordelen periode) schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht in de woningen van [B] en [A] . Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante, door van deze werkzaamheden geen melding te maken bij het college, de in artikel 17, eerste lid, van de PW neergelegde inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3.

Appellante betoogt dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, nu zij voor de door haar verrichte schoonmaakwerkzaamheden geen geldelijke vergoeding heeft ontvangen. Voorts betoogt appellante dat zij de schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht vanuit goede bedoelingen en om de Nederlandse taal te leren. Dit betoog slaagt niet.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die activiteiten worden verricht en ongeacht of uit die activiteiten daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van belang is immers niet alleen het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Het feit dat appellante aangeeft dat zij de schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht vanuit goede bedoelingen en om de Nederlandse taal te leren, speelt zodoende geen rol bij de beoordeling of de inlichtingenverplichting is geschonden. Gelet op de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van de door appellante verrichte schoonmaakwerkzaamheden is sprake van op geld waardeerbare arbeid, waarvoor appellante een uurloon had kunnen bedingen.

4.5.

Het college heeft het inkomen van appellante schattenderwijs vastgesteld en in mindering gebracht op de bijstand. Appellante heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat dit geen bespreking behoeft.

4.6.

Tegen de terugvordering heeft appellante evenmin zelfstandige gronden aangevoerd, zodat dit onderdeel ook geen bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.H.H. Slaats

MD