Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
17-3926 Wubo
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Aanvraag om toekenningen op grond van de Wubo terecht afgewezen. Geen twijfel aan de juistheid van de medische bevindingen van de geneeskundig adviseurs van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3926 WUBO

Datum uitspraak: 11 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 april 2017, kenmerk BZ011049909 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend waaronder een nadere reactie van 29 juli 2017 van medisch adviseur G.J. Laatsch, arts.

Verweerder heeft een reactie van geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, arts, ingezonden, waarna Laatsch schriftelijk zijn visie heeft gegeven. Van de zijde van verweerder heeft Ohlenschlager gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1941, heeft in maart 2002 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 30 januari 2003 is erkend dat zij is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, te weten het meemaken van een evacuatie onder levensbedreigende omstandigheden tijdens de Japanse bezetting. Een internering in [plaatsnaam] tijdens de Japanse bezetting kon niet worden vastgesteld. De door appellante gevraagde toekenningen zijn geweigerd op de grond dat het aanvaarde oorlogsgeweld bij haar niet heeft geleid tot invaliditeit als bedoeld in de Wubo. Tegen het besluit van 30 januari 2003 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

In mei 2003 heeft appellante opnieuw een aanvraag in het kader van de Wubo ingediend waarbij zij heeft aangevoerd dat haar psychische klachten zijn verergerd. Bij besluit van

15 januari 2004 is de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft het standpunt herhaald dat het oorlogsgeweld bij appellante niet heeft geleid tot invaliditeit in de zin van de Wubo. Tegen het besluit van 15 januari 2004 zijn evenmin rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Een door appellante in december 2010 ingediende aanvraag om toekenningen op grond van de Wubo is door verweerder afgewezen bij besluit van 5 juli 2011 op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wubo. Verweerder bleef van oordeel dat de psychische klachten en spataderen niet in verband staan met het oorlogsgeweld maar door andere oorzaken zijn ontstaan. De bij de aanvraag door appellante gemelde schouder- /armklachten links en voetklachten zijn door verweerder evenmin in verband gebracht met het door appellante ondergane oorlogsgeweld. Tegen het besluit van 5 juli 2011 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

In augustus 2016 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 8 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wubo. Daarbij is overwogen dat ook nu niet is gebleken dat appellante gezondheidsklachten heeft die in verband kunnen worden gebracht met het aanvaarde oorlogsgeweld.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Namens appellante is uitvoerig betoogd dat verweerder bij de verificatie van het oorlogsgeweld niet de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Zo wordt gesteld dat op grond van relatiedossiers voldoende duidelijk is dat appellante in verschillende kampen heeft verbleven en dat zij mogelijkerwijs bombardementen heeft meegemaakt. Met dit betoog treedt appellante echter buiten de grenzen van dit geding. Het herzieningsverzoek uit augustus 2016 betreft uitdrukkelijk de uitkomst van het medisch onderzoek naar de causale invaliditeit van appellante. Appellante heeft melding gemaakt van verergering van haar gezondheidsklachten. Een (her)beoordeling van het oorlogsgeweld maakt dan ook - terecht - geen deel uit van het op dit verzoek genomen besluit. Het betoog van appellante moet om die reden in zoverre buiten de beoordeling blijven.

2.2.

Ter beoordeling ligt dus de vraag voor of het in 2003 aanvaarde oorlogsgeweld, te weten een evacuatie onder levensbedreigende omstandigheden tijdens de Japanse bezetting, bij appellante (alsnog) heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Het standpunt van verweerder dat een verband tussen de evacuatie en de gezondheidsklachten (nog steeds) ontbreekt is in eerste instantie gebaseerd op een door de geneeskundig adviseur Ohlenschlager uitgebracht advies dat is opgemaakt na een persoonlijk onderhoud met appellante. Bij haar advisering heeft zij ook betrokken de resultaten van onderzoeken die naar aanleiding van de eerdere aanvragen van appellante zijn verricht, alsmede een onderzoek van Laatsch, die appellante in augustus 2013 in het kader van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) heeft onderzocht. Ohlenschlager concludeerde dat nog immer geen sprake is van psychisch letsel ten gevolge van het aanvaarde oorlogsgeweld. Er zijn andere en langer durende traumatische ervaringen die de psychopathologie tot gevolg hebben gehad. De geverifieerde calamiteit speelt in het geheel geen rol van enige betekenis, aldus Ohlenschlager.

2.3.

In bezwaar heeft appellante een advies van Laatsch van 3 februari 2017 overgelegd. Laatsch kwam op grond van een dossierexpertise tot de conclusie dat de geverifieerde calamiteit in betekenende mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van de psychische klachten en dat bij appellante sinds 2013 sprake is van causale psychische klachten, leidend tot invaliditeit in de zin van de Wubo. Geneeskundig adviseur G.L.G. Kho, arts, heeft na heroverweging van de medische gegevens het oordeel van Ohlenschlager onderschreven. De visie van Laatsch dat de psychische klachten van appellante in betekende mate moeten worden toegeschreven aan de geverifieerde calamiteit wordt door hem niet gedeeld.

2.4.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van de daaraan ten grondslag liggende medische advisering deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Het rapport van Laatsch uit 2017 geeft geen aanleiding de bevindingen van Ohlenschlager niet te volgen. Laatsch stelt dat appellante psychische klachten heeft die te herleiden zijn tot de (kortdurende) evacuatie, een gebeurtenis waaraan appellante geen bewuste herinneringen heeft. Het standpunt van Laatsch over de impact van een (relatief) kortdurende traumatische ervaring op een jong kind wordt door de geneeskundig adviseurs op zichzelf beschouwd niet betwist, maar zij benadrukken dat appellante duidelijk andere en langer durende traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt, waarvan de impact zeer groot is geweest. Noch in het onderzoek van Ohlenschlager noch in het onderzoek dat door Laatsch zelf in het kader van de AOR is verricht, is steun te vinden voor het nu door Laatsch betrokken standpunt dat nu juist de evacuatie in betekende mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van de psychische klachten van appellante. Dit betekent dat het zogenoemde S.O.T-beleid niet kan worden toegepast. Voor het laten verrichten van nader medisch onderzoek door een deskundige, zoals namens appellante is verzocht, wordt geen aanleiding gezien omdat geen twijfel is gewekt aan de juistheid van de medische bevindingen van de geneeskundig adviseurs van verweerder.

2.5.

Uit 2.4 volgt dat het bestreden besluit stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J.M.M. van Dalen

IJ