Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
16/5854 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 24 februari 2016 en bij het opstellen van de aangepaste FML afdoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante. Voor verdergaande beperkingen geen grond. Terecht oordeel rechtbank dat rapport verzekeringsarts bezwaar en beroep geen inconsistenties bevat of dat het rapport niet concludent is. Wat appellante in hoger beroep en onder verwijzing naar een nadere verklaring van de revalidatiearts heeft aangevoerd doet hieraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5854 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juli 2016, 16/1152 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 oktober 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2018. Namens appellante is mr. Aslan verschenen. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 14 augustus 2008 werkzaam als helpende voor 25,9 uren per week. Op 19 augustus 2013 heeft appellante zich ziek gemeld vanwege heupklachten links. Later zijn daar schouderklachten en psychische klachten bijgekomen.

1.2.

Bij besluit van 18 augustus 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante per 17 augustus 2015 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van een verzekeringsarts van 5 augustus 2015 met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige van 18 augustus 2015 ten grondslag gelegd.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 augustus 2015 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 februari 2016 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

25 februari 2016 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante in verband met duizeligheidsklachten aangewezen geacht op werk zonder verhoogd persoonlijk risico en de FML aangepast in die zin dat appellante geen werk op hoogtes en geen rijdend beroep kan uitoefenen. In verband hiermee heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een van de door de arbeidsdeskundige aan de beoordeling ten grondslag gelegde functies, de functie van magazijnmedewerker, allround medewerker car (SBC-code 315020) ongeschikt geacht. Op basis van de resterende functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 23,05%, dus nog altijd minder dan 35%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het onderzoek door de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig geacht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat de belastbaarheid van appellante onjuist is ingeschat. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de geduide functies van productiemedewerker industrie, samenstellen van producten (SBC-code 111180), samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050) en machinebediende inpak-verpakkingsmachine (SBC-code 271093) voor appellante niet geschikt zijn.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij gelet op haar lichamelijke en psychische klachten meer en/of verdergaande beperkingen heeft dan de beperkingen die in de FML zijn opgenomen. In dit verband heeft appellante verwezen naar een nadere verklaring van haar revalidatiearts, waarin deze stelt dat appellante bij hem bekend is met persisterende pijnklachten rondom haar linkerheup. Daarnaast heeft het Uwv volgens appellante onvoldoende rekening gehouden met haar duizeligheidsklachten. Verder zijn de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies ongeschikt omdat niet blijkt dat deze in hoofdzaak zittend vervuld worden, terwijl appellante is aangewezen op in hoofdzaak zittende werkzaamheden. Als voorbeeld heeft appellante daarbij de functie met SBC-code 111180 genoemd. Appellante heeft dit in beroep ook gesteld en de rechtbank heeft daarover ten onrechte geoordeeld dat appellante was uitgegaan van een onjuiste uitleg van de in het formulier Resultaat functiebeoordeling neergelegde omschrijving. Voorts had in de aangepaste onderbouwing van de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid aanleiding moeten worden gezien de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase te vergoeden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 24 februari 2016 en bij het opstellen van de aangepaste FML afdoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overtuigend gemotiveerd dat, mede gelet op de beschikbare medische informatie, voor verdergaande beperkingen geen grond is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet gebleken is dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistenties bevat of dat het rapport niet concludent is. Wat appellante in hoger beroep en onder verwijzing naar een nadere verklaring van de revalidatiearts heeft aangevoerd doet hieraan niet af. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep waren immers bekend met de door de revalidatiearts beschreven pijnklachten en hebben daar bij het vaststellen van de beperkingen rekening mee gehouden.

4.2.

Het formulier Resultaat functiebeoordeling vermeldt ten aanzien van de functie met

SBC-code 111180 onder 5.1 en 5.2, zitten:

“Dagelijks gedurende niet meer dan ongeveer 8 uren:

tijdens 4 werkuren 1 maal ongeveer 60 minuten achtereen en

tijdens 4 werkuren 2 maal ongeveer 30 minuten achtereen.”

Dit betekent niets anders dan dat tijdens een werkdag van ongeveer acht uren de helft van de tijd een uur achtereen wordt gezeten, waarna het zitten wordt onderbroken door een andere activiteit, bijvoorbeeld door even te lopen of te staan, en de andere helft van de tijd 30 minuten achtereen wordt gezeten, waarna een onderbreking door een andere activiteit plaatsvindt. Vrijwel de gehele dag wordt dus zittend gewerkt. Dit is ook de uitleg die de rechtbank heeft gegeven. De uitleg van appellante, die erop neer komt dat tijdens een werkdag van acht uren slechts één keer 60 minuten wordt gezeten en twee keer 30 minuten (dus in totaal twee uren) en dat tijdens de overige zes uren niet wordt gezeten, is dan ook terecht door de rechtbank van de hand gewezen.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft gesteld over de functie met SBC-code 315020 behoeft geen bespreking, nu het Uwv deze functie al in de bezwaarfase heeft laten vallen.

4.4.

Het bestreden besluit hield geen wijziging in van het rechtsgevolg van het besluit van 18 augustus 2015. De Raad onderschrijft daarom de beslissing van de rechtbank om geen vergoeding toe te kennen van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten (vergelijk de uitspraak van 23 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8044).

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en G.M.G. Hink en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2018.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) W.M. Swinkels

TM