Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
14/947 ZW-G
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2018:315 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2017:4485.

Alles overziende betreft het deskundige rapport een rapport dat zonder meer voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat als basis kan dienen voor het oordeel van de Raad. Het besluit ontbeert een juiste medische grondslag. Deze uitspraak komt in de plaats komt van het vernietigde besluit. Redelijke termijn is met ruim negen maanden overschreden in rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 947 ZW-G

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 6 januari 2014, 13/3212 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 27 december 2017

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. V.M.C. Verhaegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben medische informatie ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2015, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhaegen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

drs. M.P.W.M. Wiertz.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De Raad heeft voor het instellen van een onderzoek psychiater S.G.S. Mulder als deskundige benoemd, die op 20 september 2016 rapport heeft uitgebracht.

Partijen hebben op dat rapport over en weer gereageerd.

De deskundige heeft aanvullend gerapporteerd.

Het Uwv heeft nogmaals een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

De ex-werkgever is als belanghebbende in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Daarvan is geen gebruik gemaakt.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2017, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verhaegen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1.

In 2007 en 2009 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De naar aanleiding daarvan doorlopen procedures zijn geëindigd met de uitspraken van deze Raad van 18 augustus 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN4434) en van 25 januari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BY9851). Deze procedures hebben niet geleid tot een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

1.2.

Vanaf 31 mei 2011 was appellante werkzaam bij [bedrijf] als inpakster voor 10 uren per week, de ene week drie dagdelen van 4 uur en de andere week twee dagdelen van 4 uur. Het ging daarbij om licht, niet stresserend werk in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw), dat zittend werd uitgevoerd. Op 22 februari 2012 is appellante volledig uitgevallen. Het dienstverband is geëindigd op 30 mei 2012.

1.3.

Bedrijfsarts B.W.M. Versluis heeft op 22 mei 2012 in het actueel oordeel over appellante geschreven: “Gezien klachtenbeeld niet in staat tot regelmatige arbeid, pijnklachten, moeheid, spannings- en burnoutklachten. Werkzaamheden in Wsw-setting geprobeerd, veel uitval in achterliggende periode, nu niet in staat tot regelmatige arbeid.”

1.4.

Verzekeringsarts H.G. van Loon is volgens zijn rapport van 13 maart 2013 van mening dat het ziekteproces dusdanig is verbeterd dat appellante voldoende belastbaar is om weer in de maatgevende arbeid, het werk van inpakster voor 10 uur per week in Wsw-verband bij [bedrijf] , te hervatten. Daarbij zijn de overwegingen dat de beperkingen die bij onderzoek kunnen worden vastgesteld dusdanig zijn verminderd dat er geen medisch objectiveerbare belemmering meer bestaat om dit werk te verrichten. Het Uwv heeft bij besluit van 13 maart 2013 vastgesteld dat appellante vanaf 14 maart 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet. In de bezwaarprocedure naar aanleiding van dit besluit heeft appellante gewezen op informatie van haar behandelend psychiater G.P.M. de Bruyn, die volgens zijn brief van 16 december 2012 van mening is dat sprake is van een onderliggende persoonlijkheidsstructuur, waarbij appellante zich overdreven aanpast aan anderen en eigen behoeftes opzij schuift, wat op termijn spanningen en psychiatrische en psychosociale symptomen veroorzaakt. Als gevolg hiervan zou appellante ernstige beperkingen ondervinden op de aspecten in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) “eigen gevoelens uiten”, “omgaan met conflicten” en “samenwerken met anderen”. Verder noemt hij in zijn brief van 8 april 2013 onder meer de diagnose chronische posttraumatische stress-stoornis en persoonlijkheidsstoornis NAO en een GAF-score van 61-70. Het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2013 heeft het Uwv ongegrond verklaard bij de beslissing op bezwaar van

25 april 2013 (bestreden besluit). Daaraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag van 19 april 2013. Samengevat weergegeven kan er volgens deze verzekeringsarts, gelet op de GAF-score, geen sprake zijn van een ernstig ziektebeeld. De persoonlijkheidsstructuur vormt in zijn visie weliswaar een beperkende factor bij appellante maar zij zou met deze persoonlijkheid lange tijd hebben kunnen functioneren in arbeid, waardoor gesteld dient te worden dat er ten aanzien van de persoonlijkheidsproblematiek geen sprake is van ziekte of gebrek.

2. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante kan zich niet vinden in de aangevallen uitspraak en is van mening dat haar klachten zijn onderschat. Zij heeft daarbij een brief van 29 juni 2015 van psychiater De Bruyn overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarop gereageerd in zijn rapport van 6 juli 2015.

3.2.

Het Uwv heeft ook na het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige van

20 september 2016 en haar nadere reactie van 12 mei 2017 onder verwijzing naar de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 mei 2017 het ingenomen standpunt gehandhaafd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige van 20 september 2016 geeft blijk van een zorgvuldig medisch onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft dossierstudie gedaan, alle beschikbare medische informatie beoordeeld, een uitgebreide anamnese afgenomen, een psychiatrisch onderzoek verricht, aanvullend neuropsychologisch onderzoek met verschillende testen, waarbij appellante twee keer is gezien en een zogenoemd BAT-onderzoek doen verrichten. Op basis van alle gegevens heeft zij een inzichtelijk gemotiveerd standpunt ingenomen over de medische situatie van appellante op 14 maart 2013. Volgens de deskundige is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO met voornamelijk cluster A en C trekken, die zij ook aanwezig acht op 14 maart 2013, aangezien deze vanaf de vroege volwassenheid tot klachten en beperkingen in het functioneren leidt (dit strookt met de feiten in het rapport).

4.2.

Op de vraag of de medische situatie van appellante op 14 maart 2013 ten opzichte van haar medische situatie ten tijde van de ziekmelding van 22 mei 2012 zodanig is verbeterd dat zij op 14 maart 2013 in staat moet worden geacht haar arbeid als inpakster voor 10 uur per week te verrichten heeft de deskundige het volgende geantwoord:

“Nee, de medische situatie van appellante is op 14 maart 2013 ten opzichte van haar ziekmelding van 22 mei 2012 niet zodanig verbeterd dat zij op 14 maart 2013 in staat moest worden geacht haar arbeid als inpakster voor 10 uur per week te verrichten. Er kan niet gesteld worden dat de beperkingen ten gevolge van haar stoornis op 14 maart 2013 verbeterd waren, omdat het inherent aan een persoonlijkheidsstoornis is dat de problemen chronisch zijn en slechts met langdurige, intensieve behandeling voor verbetering vatbaar zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelde dat de persoonlijkheidsstructuur weliswaar de beperkende factor bij betrokkene was, maar dat zij met deze persoonlijkheid lange tijd heeft gefunctioneerd in arbeid, waardoor gesteld dient te worden dat er ten aanzien van de persoonlijkheidsproblematiek geen sprake is van ziekte of gebrek. Er is echter sprake geweest van een verslechtering van het toestandsbeeld sinds 2005. In juli 2005 maakte onderzochte een ongeval mee, waarbij zij frituurvet over zich heen kreeg en brandwonden opliep, hetgeen geleid heeft tot chronische pijnklachten. Hierdoor was onderzochte nog minder in staat om stress te hanteren en zijn haar copingvaardigheden verder verslechterd. Ook haar huidige behandelend psychiater, G.P.M. de Bruyn, heeft gesteld dat onderzochte door haar persoonlijkheidsstructuur onvoldoende copingvaardigheden heeft en dat het ongeval met de frituurpan en de brandwonden als belangrijke factor gezien wordt in het definitief decompenseren. Hij heeft vervolgens haar functioneren als 61-70 beoordeeld aan de hand van de GAF-schaal (…). De GAF-score van 61-70 is echter geen goede waardering van het functioneren van onderzochte op 14 maart 2013. (…) Er kan niet gesteld worden dat de symptomen van onderzochte licht waren, noch dat er sprake is van vrij redelijk functioneren. Indertijd had onderzochte een passieve dagbesteding, waarbij zij overdag veel sliep vanwege vermoeidheid. Zij startte soms aan taken, maar maakte deze niet af. De sociale contacten waren beperkt en de zelfverzorging was matig. Ook is de GAF-score niet congruent met het begeleidend schrijven van de psychiater, G.P.M. de Bruyn. Er wordt door de psychiater vermeld dat de klachten van overbelasting bij onderzochte zich vaak uiten als lichamelijke reacties en ook als symptomen van cognitief minder functioneren, gevoelens van depersonalisatie en ook van moedeloosheid. De moedeloosheid leidt tot inactiviteit en moeite om structuur te houden, zodanig dat onderzochte thuis bezocht wordt door een psychiatrisch intensieve thuiszorgverpleegkundige (PIT) gericht op de activering van onderzochte. Niet gesteld kan worden dat dit lichte symptomen zijn en bovendien is psychiatrisch intensieve thuiszorg gericht op de behandeling van ernstigere psychiatrische problematiek.”

De deskundige acht het niet aannemelijk dat appellante vanwege de lange duur van de klachten, de chronische problematiek en het verslechteren van het toestandsbeeld ondanks behandeling in de loop der tijd, belastbaar was voor betaald werk op 14 maart 2013.

4.3.

Het Uwv heeft in reactie op het deskundigenrapport en de op 6 maart 2017 ingezonden zienswijze van appellante rapporten van 11 oktober 2016 en 27 maart 2017 ingezonden van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hij kan zich om verschillende redenen niet met het rapport van de deskundige verenigen. Hij is van mening dat de deskundige niet is ingegaan op de medische situatie in 2013 en dat zij haar conclusies niet heeft gerelateerd aan de maatstaf arbeid. De GAF-score van 45 ziet volgens hem op augustus 2016. De deskundige maakt volgens hem niet duidelijk wat het verschil is tussen de medische situaties in 2005, 2007, 2009, 2011, 22 februari 2012 en 14 maart 2013. Volgens hem wordt totaal niet ingegaan op de vraag of de medische situatie tussen 2012 en 2013 is verbeterd.

4.4.

Gelet op de in 4.2 vermelde vraag en het weergegeven antwoord daarop van de deskundige wordt het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gevolgd. Uit het antwoord van de deskundige volgt expliciet dat dit betrekking heeft op de medische situatie tussen mei 2012 en april 2013. Ook heeft zij haar antwoord duidelijk toegespitst op de situatie op 14 maart 2013. De deskundige heeft in haar reactie van 12 mei 2017 nog bevestigd dat haar antwoord wel degelijk ziet op de situatie op 14 maart 2013. Daarbij heeft zij vermeld – kort weergegeven – dat het moeilijk is een datum in het verleden te beoordelen. In 4.1 is weergegeven op welke wijze zij haar onderzoek daartoe heeft ingericht om de situatie in 2013 zo goed mogelijk in beeld te brengen. Geoordeeld wordt dat de deskundige in die beschrijving de situatie afdoende inzichtelijk heeft gemotiveerd. Een uitgebreidere reactie van de deskundige was in het licht van haar uitgebreide rapport niet nodig.

4.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep vraagt zich verder af waarom appellante op

11 mei 2011 tot 22 mei 2012 in staat is geweest tot arbeid en hoe zich dat verhoudt tot het standpunt van de deskundige. Die vraag miskent dat appellante in die periode, tot zij op

22 februari 2012 definitief uitviel, haar werk bij [bedrijf] evenmin probleemloos heeft verricht. Van 18 oktober tot 20 december 2011 heeft zij niet gewerkt. Daarnaast is sprake geweest van kort verzuim. Voorts heeft zij regelmatig het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. In het actueel oordeel is over appellante geschreven: “Gezien klachtenbeeld niet in staat tot regelmatige arbeid, pijnklachten, moeheid, spannings- en burnoutklachten. Werkzaamheden in Wsw-setting geprobeerd, veel uitval in achterliggende periode, nu niet in staat tot regelmatige arbeid.” De sociaal medisch verpleegkundige De Vos-Viergever acht volgens haar rapport van 12 juli 2012 plausibele redenen van fysieke aard aanwezig voor de ziekmeldingen van appellante gedurende haar contract (hand tussen deur [bedrijf] bus, op stuitje gevallen, enkel verzwikt). Volgens haar zijn er aanwijzingen dat er sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van 2007, met name op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren. Echter zijn de toegenomen beperkingen volgens haar op basis van het spreekuurcontact onvoldoende te objectiveren en zal een nadere onderbouwing van de bedrijfsarts worden gevraagd. In haar rapport van 25 september 2012 schrijft De Vos-Viergever dat de verzekeringsarts op 16 juli 2012 akkoord is gegaan met de vaststelling dat er “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” zijn voor appellante. Daargelaten de precieze definitie van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden” blijkt uit dit relaas dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de vermelding van de arbeidsperiode van appellante van mei 2011 tot mei 2012 ten onrechte niet heeft onderkend dat appellante in de betreffende periode veel ziekteverzuim heeft gehad. Ook tussen 2005 en 2011 heeft appellante niet of nauwelijks gewerkt. De verzekeringsarts kan dan ook niet worden gevolgd in zijn aanname en de daaraan toegekende betekenis dat appellante voorheen in staat geweest zou zijn haar werkzaamheden te verrichten.

4.6.

Verder is de verzekeringsarts bezwaar en beroep van mening dat het rapport van de deskundige de toets van consistentie niet doorstaat. Als voorbeeld wordt genoemd dat de deskundige een hoge werkdruk heeft genoemd terwijl daarvan volgens hem nooit sprake is bij werkzaamheden in Wsw-verband. Op pagina 17 van het rapport bespreekt de deskundige hoe het voor appellante was en dat zij een enorme druk ervoer en fouten maakte. Dit maakt het rapport niet inconsistent. Er wordt niet alleen afgegaan op de anamnese, er zijn ook testen afgenomen in het kader van het neuropsychologisch onderzoek. Daarbij is ook getest op aggraveren en er werden geen aanwijzingen gevonden voor het aanzetten van klachten. Dat geen sprake is van aggraveren is daarmee voldoende tot uitdrukking gebracht en ook voldoende onderbouwd. Hoewel de gevonden afwijkingen in aandacht en concentratie tijdens het neurologisch onderzoek niet zijn geobjectiveerd, wordt niet ingezien waarom de deskundige niet zou kunnen vermelden dit te hebben waargenomen tijdens het eigen onderzoek. Zo heeft zij vermeld: “de aandacht is te trekken maar moeilijk te behouden”. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vraagt zich verder af op basis van welke geobjectiveerde afwijkingen er sprake is van chaos in denken en handelen. Volstaan wordt met verwijzing naar de vermelding in het rapport van de deskundige (pagina 12) dat appellante een zeer chaotische indruk maakte, niet was te volgen, telkens in documenten zat te bladeren.

4.7.

Alles overziende betreft het deskundigerapport een rapport dat zonder meer voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat als basis kan dienen voor het oordeel van de Raad. Het beeld wat in het rapport wordt geschetst komt bovendien overeen met het beeld zoals dat naar voren komt uit de gedingstukken van diverse medici, waaronder stukken van het Uwv.

4.8.

Het voorgaande betekent dat het besluit een juiste medische grondslag ontbeert. Het hoger beroep van appellante slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit wordt eveneens vernietigd. De Raad zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit. Met het oog op finaliteit van het geschil zal de Raad zelf voorzien en het besluit van 13 maart 2013 herroepen.

5.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

5.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak is verder overwogen dat de behandeling in de bestuurlijke fase ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van

€ 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 21 maart 2013 tot de datum van deze uitspraak zijn (afgerond) meer dan 57 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim negen maanden is overschreden. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De overschrijding leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,-.

5.4.

De Raad stelt vast dat de behandeling van het bezwaarschrift binnen zes maanden heeft plaatsgevonden. De behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 4 juni 2013 tot de uitspraak op 6 januari 2014 heeft ongeveer zeven maanden geduurd. De behandeling bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 14 februari 2014 en eindigt heden met deze uitspraak. De behandeling bij de Raad heeft dus meer dan twee jaar in beslag genomen, terwijl de behandeling door rechtbank en Raad tezamen meer dan 42 maanden heeft geduurd. De overschrijding heeft dus plaatsgevonden in de rechterlijke fase.

5.5.

De overschrijding in de rechterlijke fase resulteert in een vergoeding van € 1.000,-, ten laste van de Staat.

6. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de door appellante gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar (2 punten), in beroep (2 punten) en in hoger beroep (3,5 punten) met een totaal van 7,5 punten à € 495,- per punt, in totaal € 3.712,50. Voorts bestaat aanleiding voor vergoeding van de reiskosten van appellante voor het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank en de Raad ter hoogte van de tarieven van het openbaar vervoer tweede klas, te weten € 112,97.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 april 2013;

- herroept het besluit van 13 maart 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan

appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.825,47;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 166,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2017.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

UM