Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
17-1875 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Terugvordering naar aanleiding van ontvangen erfenis. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Invordering door middel van vereenvoudigd derdenbeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1875 PW-PV, 17/1876 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 maart 2017, 16/2317 en 16/3702 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

Datum uitspraak: 25 september 2018

Zitting hebben:

A. Stehouwer als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. ter Brugge als leden.

Griffier: J.M.M. van Dalen

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. R. Mahovic, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Oeverhof.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Aan appellante is in de periode van 26 januari 2007 tot 8 oktober 2015 bijstand verleend tot een bedrag van € 54.854,11. Met ingang van 8 oktober 2015 heeft de Sociale verzekeringsbank aan appellante een uitkering ingevolge de Algemene ouderdomswet toegekend (AOW-uitkering). Naar aanleiding van het overlijden van de ouders van appellante op 26 januari 2007 en 26 mei 2007 had appellante aanspraak op een aandeel in de nalatenschap van haar ouders. De nalatenschap is in november 2015 afgewikkeld. Appellante kreeg op 16 november 2015 een bedrag van € 78.534,24 op haar rekening gestort. In december 2015 heeft appellante bedragen van in totaal € 50.000,- van haar rekening opgenomen.

Het college heeft met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (PW) de kosten van bijstand tot een bedrag van € 54.854.11 van appellante teruggevorderd.

Het college heeft verder besloten tot invordering door middel van een vereenvoudigd derdenbeslag op de door appellante ontvangen AOW-uitkering waarbij de beslagvrije voet op nihil wordt gesteld, een en ander met ingang van 1 augustus 2016. Aan het invorderingsbesluit is ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting die volgt uit artikel 60, eerste lid, van de PW heeft geschonden omdat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over haar financiële situatie. Vooral is onduidelijk gebleven waar de € 50.000,- zijn gebleven die zij in december 2015 van haar rekening heeft opgenomen.

De rechtbank Limburg heeft bij de uitspraak van 3 maart 2017 de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Appellante heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd.

De terugvordering

Tussen partijen is niet in geschil dat het college op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de PW bevoegd was over te gaan tot terugvordering van de kosten van bijstand tot een bedrag van € 54.854,11.

Appellante heeft erop gewezen dat in het besluit van 22 juni 2007, waarbij de bijstand ongewijzigd is voortgezet, wordt vermeld dat de aan haar verstrekte bijstand vanaf 26 januari 2007 zo mogelijk verrekend zou worden met de nalatenschap en dat in het besluit van het college van 15 juli 2008 ongeveer dezelfde informatie wordt verstrekt. Daarna heeft appellante zolang zij van het college bijstand ontving niets meer omtrent de verrekening van de nalatenschap gehoord, ook niet toen het college bij besluit van 28 oktober 2015 de bijstand van appellant met ingang van 8 oktober 2015 introk. Appellante voert aan dat zij er daarom op mocht vertrouwen dat geen terugvordering zou plaatsvinden in verband met de afwikkeling van de nalatenschap. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijk, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college een dergelijke, expliciete toezegging heeft gedaan. Een dergelijke toezegging kan ook niet worden afgeleid uit stilzwijgen door het college.

Het voorgaande brengt met zich dat de terugvordering in stand blijft.

De invordering

De gronden die appellante tegen de invordering heeft ingebracht zijn een herhaling van wat appellante in beroep daartegen heeft aangevoerd. De rechtbank is in zijn uitspraak van 3 maart 2017 gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank. Het college heeft dan ook terecht de terugvordering tenuitvoergelegd door middel van vereenvoudigd derdenbeslag waarbij de beslagvrije voet op nihil is gesteld.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) J.M.M. van Dalen (getekend) A. Stehouwer

IJ