Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3088

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
18/2306 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nabestaandenuitkering terecht geweigerd omdat de echtgenoot op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. De postume aanmelding voor deelname aan de vrijwillige verzekering is niet binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering ingediend. Door appellante zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn appellante en haar echtgenoot niet kan worden tegengeworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2306 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2018, 17/3188 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Frankrijk (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 4 oktober 2018

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een (nader) onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek onder toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd in verband met het overlijden van haar echtgenoot op 18 maart 2014. Deze aanvraag is door de Svb bij besluit van 16 juni 2014 afgewezen, omdat de echtgenoot op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 29 oktober 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit bij uitspraak van 3 november 2014 ongegrond verklaard. In de uitspraak van heden (zaaknummer 16/7439 ANW) heeft de Raad die uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2.

De Svb heeft het bezwaarschrift van appellante van 24 juli 2014 tegen het besluit van 16 juni 2014 tevens aangemerkt als een postuum verzoek om deelname aan de vrijwillige verzekering van de echtgenoot. Bij besluit van 24 maart 2015 heeft de Svb dit verzoek afgewezen, omdat de aanvraag niet binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering van de echtgenoot is gedaan.

1.3.

Op 6 december 2016 heeft appellante opnieuw een aanvraag om postume toelating tot de vrijwillige verzekering gedaan. De Svb heeft bij besluit van 21 december 2016 deze aanvraag onder verwijzing naar het besluit van 24 maart 2015 afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 18 april 2017 (bestreden besluit 1) is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de Svb het besluit van 18 april 2017 ingetrokken en meegedeeld het bezwaar inhoudelijk te toetsen. Na de inhoudelijke beoordeling heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 31 juli 2017 (bestreden besluit 2) het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de echtgenoot niet meer verplicht verzekerd was voor de ANW vanaf 25 juni 2013. De postume aanvraag voor de vrijwillige verzekering op 24 juli 2014 is niet gedaan binnen een jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. Er is geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat die overschrijding van de termijn verschoonbaar moet worden geacht.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en de Svb opdracht gegeven het betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank heeft overwogen dat zij in de uitspraak met betrekking tot de aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering heeft geoordeeld dat de echtgenoot tot 25 juni 2013 verplicht verzekerd was voor de ANW. Dit betekent dat de postume aanvraag om toelating tot de vrijwillige verzekering van 24 juli 2014 niet binnen de termijn van een jaar is gedaan. De vraag of sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn appellante niet kan worden tegengeworpen, heeft de rechtbank ontkennend beantwoord.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat voor zover sprake is van een termijnoverschrijding deze verschoonbaar is, omdat zij van mening was dat haar echtgenoot verplicht verzekerd was tot zijn overlijden op 18 maart 2014. Appellante en haar echtgenoot hebben altijd gedacht dat hij ingezetene van Nederland is gebleven.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge de artikelen 63, 63a en 63b van de ANW is vrijwillige verzekering op grond van die wet alleen mogelijk in aansluiting op een periode van verplichte verzekering ingevolge de ANW. Aanmelding moet plaatsvinden binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering.

4.2.

In de uitspraak van heden in de zaak 16/7439 ANW betreffende de aanvraag van appellante om een ANW‑uitkering, heeft de Raad overwogen dat de echtgenoot in ieder geval vanaf 25 juni 2013 woonplaats had in Frankrijk en daarom ten tijde van zijn overlijden op 18 maart 2014 niet verzekerd was voor de ANW. Dit betekent dat de verplichte verzekering van de echtgenoot voor de ANW in ieder geval is geëindigd op 25 juni 2013. De postume aanmelding voor deelname aan de vrijwillige verzekering op 24 juli 2014 is dus niet binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering ingediend. Door appellante zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de overschrijding van de aanmeldingstermijn appellante en haar echtgenoot niet kan worden tegengeworpen.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2018.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) P. Boer

NW