Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
16/1718 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking. Niet verstrekken CIN-nummer. Schending medewerkingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1718 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 maart 2016, 15/3077 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante 1] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 2 oktober 2018

Zitting hebben:

W.F. Claessens als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en M. Schoneveld als leden.

Griffier: J.M.M. van Dalen

Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen ter zitting. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.B. Metz.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

De beroepsgronden komen in hoofdzaak neer op het volgende. In het geval van appellante was er geen aanleiding voor nader onderzoek in Marokko. Appellante valt namelijk niet onder de door de Svb opgestelde risicoprofielen en er waren geen aanwijzingen voor eventueel verzwegen buitenlands vermogen. Daarom was er geen sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het opvragen van het CIN-nummer. De Svb heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur door zich niet te houden aan het door de Svb zelf opgestelde risicoprofiel.

Deze beroepsgronden slagen niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

De Svb verricht in de periode van 2013 tot en met 2019 onderzoek ten aanzien van alle
gerechtigden op een Aanvullende inkomensvoorzieningen ouderen (AIO) op grond van de Participatiewet (PW). Zie hiervoor ook overweging 1.2 van de aan appellante voorgehouden uitspraak van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:808. Voor zover appellante heeft willen betogen dat dit onderzoek discriminatoir is, slaagt dit betoog niet. Hierbij wordt volstaan met verwijzing naar de uitspraak van 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2702.

In 2014 waren de 6.000 AIO-gerechtigden met als geboorteland Marokko aan de beurt. Appellante behoorde in dat jaar tot de te onderzoeken groep. Aan haar is overeenkomstig de in die uitspraak beschreven werkwijze van de Svb het formulier ʻVerblijf en vermogen buiten Nederland’ (formulier) toegezonden.

In het door appellante in april 2014 ingevulde formulier heeft de Svb aanleiding gezien voor een vervolgonderzoek, omdat appellante jaarlijks langdurig in het buitenland verblijft en zij eerder (in 2012) geen verblijfadres in Marokko had opgegeven en in 2014 een onvolledig verblijfadres. In dat kader heeft de Svb het CIN-nummer van appellante opgevraagd.

In een aantal uitspraken van 26 maart 2018, waaronder de hiervoor genoemde uitspraak van 26 maart 2018, is gewezen op de vaste rechtspraak dat de Svb zijn algemene onderzoeksbevoegdheid steeds en spontaan kan uitoefenen, zonder dat daarvoor een bijzondere aanleiding nodig is. Voorts is in deze uitspraken geoordeeld dat de betrokkenen, door hun CIN-nummers niet over te leggen, onvoldoende medewerking hebben verleend aan het onderzoek naar vermogen in Marokko en dat de Svb bevoegd was om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op AIO-aanvulling op te schorten en, na het verstrijken van de geboden hersteltermijn, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken. Geen aanleiding bestaat om in het geval van appellante anders te oordelen.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) J.M.M. van Dalen (getekend) W.F. Claessens

MD