Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
18/533 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht ontslag verleend wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Het college heeft voldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om appellante passende arbeid op te dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 533 AW

Datum uitspraak: 4 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

18 december 2017, 17/2092 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. van Vlooten hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vlooten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Ligthart en drs. E.P. van Geffen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 1 april 1999 werkzaam bij de gemeente Utrecht, laatstelijk in de functie van [functie 1] , salarisschaal 9, bij de afdeling [afdeling 1] voor 34,65 uur per week. Op 23 januari 2014 heeft appellante een verkeersongeluk gehad. Sinds dat moment is zij niet meer in staat haar functie uit te oefenen.

1.2.

Nadat appellante per 22 september 2014 aangepaste werkzaamheden had verricht in het kader van de re-integratie in haar eigen functie, is zij op 1 mei 2015 opnieuw volledig arbeidsongeschikt geworden. Per 1 juni 2015 is zij overplaatsbaar verklaard omdat haar functie van [functie 1] was opgeheven. In september 2015 is appellante gestart met re-integratiewerkzaamheden bij de [afdeling 2] . Deze werkzaamheden zijn opgebouwd tot 16 uur per week. Met ingang van 21 januari 2016 is appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 72,69%. Na een jaar zijn de werkzaamheden van appellante bij de [afdeling 2] verplaatst naar een ander team. Appellante is vervolgens per

3 oktober 2016 op proef gaan werken bij de [afdeling 3] in de functie van [functie 2] . Gedurende deze proefplaatsing is appellante ondersteund door Boogh Arbeidsre-integratie (Boogh). In de hierover opgemaakte eindrapportage wordt geconcludeerd dat er vooruitgang te zien was in de uitvoering van haar werkzaamheden, dat zij te weinig tijd heeft gehad om alle taken aan te leren en dat niet wordt uitgesloten dat de arbeidsprestatie verhoogd kan worden. Een op 13 januari 2017 door Dariuz works uitgevoerde loonwaardemeting had als uitkomst dat de loonwaarde van appellante in de functie van [functie 2] op dat moment 39,4% bedroeg en dat deze bij verlenging van de proefperiode zeer waarschijnlijk zou kunnen verbeteren.

1.3.

Na het voornemen daartoe aan appellante kenbaar te hebben gemaakt, waarop appellante haar zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 17 januari 2017 met toepassing van de artikelen 8:8, derde lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Utrecht (ARU) en 8d van de Uitvoeringsregeling Rechtspositie Utrecht (URU) aan appellante per 23 januari 2017 ontslag verleend wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.

1.4.

Bij besluit van 7 april 2017 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 17 januari 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de

re-integratiemogelijkheden zeer gering zijn. Appellante heeft tegen het einde van de

re-integratieperiode een proefperiode van drie maanden in de functie van [functie 2] doorlopen. Het college heeft op grond van het verloop van de proefplaatsing en de uitkomst van de loonwaardemeting die aan het einde van de proefplaatsing is uitgevoerd niet de verwachting dat de loonwaarde nog voldoende zal verbeteren. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante maakt dat er bij de gemeente Utrecht geen passende werkzaamheden voor haar zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de re-integratie inspanningen van het college onvoldoende zijn geweest. Het college heeft haar ten onrechte aanvankelijk laten

re-integreren op een plek die nooit tot een structurele werkplek zou kunnen leiden. Indien zij eerder had kunnen re-integreren bij de [afdeling 2] en de proefplaatsing in de functie van [functie 2] eerder was aangevangen, zou de kans op een succesvolle

re-integratie groter zijn geweest. Nu is de proefplaatsing te kort geweest en heeft deze onder niet optimale omstandigheden plaatsgevonden. Blijkens de adviezen van Boogh en Dariuz works zouden bij verlenging van de proefplaatsing de arbeidsprestatie en de loonwaarde waarschijnlijk nog verbeterd zijn. Het college heeft onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar de mogelijkheid appellante passende arbeid op te dragen.

3.2.

Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 8:8, derde lid, van de ARU bepaalt dat aan de ambtenaar ontslag kan worden verleend op grond van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Artikel 8d van de URU bepaalt, voor zover hier van belang, dat ontslag zoals bedoeld in artikel 8:8, derde lid, van de ARU slechts mag plaatsvinden indien sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid gedurende een periode van 36 maanden, waarbij het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken het personeelslid binnen de gemeente passende arbeid op te dragen.

4.2.

De Raad stelt vast dat de re-integratie van appellante met horten en stoten is verlopen. In het bijzonder het vinden van een mogelijk passende functie heeft veel tijd in beslag genomen. De Raad heeft geen reden om te twijfelen aan de stelling van het college, dat de functie van [functie 2] pas in de zomer van 2016 beschikbaar kwam. Deze functie is direct geclaimd voor appellante. Tussen partijen is niet in geschil dat deze functie uitzicht leek te bieden op een succesvolle re-integratie in bij haar beperkingen passende werkzaamheden. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of de omstandigheden en de duur van de proefplaatsing zodanig waren dat sprake was van een voldoende zorgvuldig onderzoek.

4.3.

Wat het verloop van de proefplaatsing betreft stelt de Raad vast dat omstreeks eind augustus 2016 door de arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat de functie gelet op de beperkingen van appellante mogelijk passend was. Vervolgens heeft het ten minste enige weken geduurd voordat appellante haar aarzelingen over deze functie, die vier schaalniveaus lager was dan haar vorige functie, had overwonnen. Gedurende die periode heeft appellante wel alvast een beeld kunnen krijgen van de werkzaamheden; deze waren voor haar in zoverre niet nieuw dat zij aansloten bij haar eerdere werkzaamheden bij de [afdeling 2] . Vanaf

3 oktober 2016 is de proefplaatsing daadwerkelijk van start gegaan. Vastgesteld kan worden dat het enige tijd heeft geduurd voordat - mede met behulp van de intensieve begeleiding en coaching van Boogh Arbeidsre-integratie - de meest geschikte (één voor één) aanpak bij het aanbieden van werkzaamheden werd gekozen. Uit de eindrapportage van Boogh en uit de beschrijving die partijen hebben gegeven van de gang van zaken leidt de Raad af dat zich weliswaar enkele omstandigheden voordeden die niet optimaal waren - zoals het niet steeds tijdig beschikbaar komen van systeemmachtigingen, de mindere beschikbaarheid van collega’s die haar konden helpen gedurende de kerstvakantie, en het systeem van flexplekken dat niet bevorderlijk was voor haar rust en concentratie - maar dat deze omstandigheden er niet de hoofdoorzaak van waren dat appellante tijdens de proefperiode onvoldoende progressie heeft kunnen maken.

4.4.

De Raad kan het college volgen in zijn conclusie dat de re-integratiemogelijkheden van appellante zo beperkt zijn, dat het niet mogelijk is gebleken haar passende werkzaamheden op te dragen. Met de rechtbank neemt de Raad daarbij in aanmerking dat de loonwaardemeting is uitgevoerd ruim drie maanden na aanvang van de proefplaatsing, terwijl het, naar het college heeft toegelicht, gebruikelijk is dat een proefplaatsing slechts twee maanden duurt. Appellante heeft dus al meer tijd dan gebruikelijk gehad. Daarbij komt, zoals het college ter zitting van de Raad heeft toegelicht, dat ten tijde van de loonwaardemeting de kloof tussen de op

13 januari 2017 gemeten loonwaarde van 39,4% en de gewenste minimale loonwaarde van 60% zo groot was, dat, ook indien de proefplaatsing enige maanden verlengd zou worden, niet aannemelijk was dat zij voldoende op niveau zou komen.

4.5.

De slotsom luidt dat niet gezegd kan worden dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid om appellante passende arbeid op te dragen. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J. Smolders

JL