Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
17/5818 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:4136, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling arbeidsongeschiktheidsdag op 5 juli 2011. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Er zijn onvoldoende (medisch) objectiveerbare gegevens op grond waarvan moet worden uitgegaan van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 5 juli 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5818 WIA

Datum uitspraak: 3 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 juli 2017, 15/222 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.A.R. Brouwers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 22 augustus 2018.

Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is met ingang van 1 januari 2008 werkzaam als senior account manager. Op 5 juli 2011 heeft zij zich ziek gemeld vanwege psychische klachten. Appellante heeft op 22 april 2013 een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 18 juni 2013 vastgesteld dat appellante met ingang van 2 juli 2013 recht heeft op een loongerelateerde WGA‑uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

1.2.

Appellante heeft telefonisch op 21 juni 2013 aan het Uwv te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in de hoogte van haar uitkering.

1.3.

Bij brief, ontvangen door het Uwv op 25 juli 2013, heeft appellante nader toegelicht dat haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag anderhalf jaar eerder ligt dan 5 juli 2011, omdat zij al langere tijd voor haar uitval wegens psychische klachten niet meer in staat was haar werk als senior account manager uit te oefenen. Dit blijkt uit het feit dat zij haar targets niet meer heeft kunnen behalen, waardoor zij vanaf juli 2010 geen bonusinkomsten meer heeft gehad, terwijl dit normaal een groot deel van haar inkomsten was.

1.4.

Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 11 februari 2014 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onveranderd op 5 juli 2011 vastgesteld, waardoor de hoogte van de WIA‑uitkering ongewijzigd blijft.

1.5.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 februari 2014 onder herhaling van haar eerdere grond dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet juist is vastgesteld.

1.6.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een expertise laten verrichten door psychiater A.J.W.M. Trompenaars. Deze heeft in zijn rapport van 4 november 2014 geconcludeerd dat bij appellante al lange tijd met zeer grote waarschijnlijkheid sprake is van een – in latente vorm aanwezig zijnde – ernstige psychiatrische problematiek op basis waarvan het aannemelijk is dat zij al vele jaren, ook al ruim vóór 2010, op haar tenen heeft gelopen en ook in die tijd in psychisch opzicht al (ernstig) overbelast is geraakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 5 december 2014 geconcludeerd dat er geen aanknopingspunten zijn om een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 5 juli 2011 aan te nemen, omdat appellante eerst medio 2011 medische hulp heeft ingeroepen en zij ook te kennen heeft gegeven dat zij pas enkele maanden voor de ziekmelding moeite kreeg met het uitvoeren van de werkzaamheden. Bij besluit van 8 december 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.1.

Appellante heeft tegen het besluit van 8 december 2014 beroep ingesteld. Ter ondersteuning van haar standpunt dat sprake is van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft appellante psychiater Trompenaars benaderd en hem verzocht daarover nader te rapporteren. Psychiater Trompenaars heeft in een rapport van 2 mei 2016 geconcludeerd dat in de periode van circa maart 2009 tot en met maart 2010 bij appellante sprake was van een toenemende mate van arbeidsongeschiktheid, waarna er vanaf 1 april 2010, mede gelet op een knik in de door appellante behaalde omzetcijfers, gesproken kan worden van volledige arbeidsongeschiktheid. Op basis hiervan acht de psychiater het zeer aannemelijk dat 1 april 2010 als eerste ziektedag dient te worden beschouwd.

2.2.

In reactie op het nadere rapport van psychiater Trompenaars heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met rapporten van 14 juli 2016 en 4 augustus 2016 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 5 juli 2011 gehandhaafd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft te kennen gegeven dat in het rapport van psychiater Trompenaars geen objectief medische gegevens gelegen zijn op grond waarvan een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden vastgesteld.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Er zijn volgens de rechtbank onvoldoende (medisch) objectiveerbare gegevens op grond waarvan moet worden uitgegaan van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 5 juli 2011. Vóór 5 juli 2011 is er geen ziekmelding geweest, noch heeft appellante zich gemeld bij de bedrijfsarts en ook haar huisarts heeft ze niet bezocht. Uit een e-mailbericht van de leidinggevende van 18 juli 2013 kan evenmin worden opgemaakt dat appellante feitelijk al eerder arbeidsongeschikt was voor haar werk. Hoewel er gesprekken zijn geweest met de leidinggevende over het functioneren en het niet behalen van de omzetdoelstellingen, blijkt hieruit niet dat medische redenen een rol speelden. Ook andere (niet‑medische) omstandigheden kunnen een rol spelen waardoor een target niet is gehaald. De rechtbank heeft in het rapport van 2 mei 2016 van psychiater Trompenaars evenmin aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen. De conclusie van de psychiater dat per 1 april 2010 bij appellante sprake was van een volledig onvermogen tot werken, is gebaseerd op de bij appellante afgenomen anamnese. Deze conclusie komt niet overeen met de feitelijke situatie waarin appellante tot 5 juli 2011 heeft doorgewerkt. Ook is niet gebleken dat zij zich omstreeks april 2010 tot de bedrijfsarts dan wel haar huisarts heeft gewend met burn‑outklachten. Het voorgaande heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat het Uwv op juiste gronden de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 5 juli 2011 heeft vastgesteld.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar eerdere bezwaar- en beroepsgronden herhaald.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellante in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die zij al in beroep naar voren heeft gebracht.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) van het Uwv, in hun reacties op de rapporten van 4 november 2014 en 2 mei 2016 van psychiater Trompenaars, toereikend hebben gemotiveerd dat er geen (medische) grond is om, zoals appellante heeft betoogd, een eerste arbeidsongeschiktheidsdag aan te wijzen die anderhalf jaar voor 5 juli 2011 ligt. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en heeft met de overwegingen, zoals weergegeven onder 2.3, overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die haar standpunt kunnen onderbouwen of aanleiding kunnen zijn voor een andersluidend oordeel. Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht de eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft vastgesteld op 5 juli 2011 en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, worden geheel onderschreven.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) R.P.W. Jongbloed

NW