Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
15/2691 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Het namens appellante in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van haar beroepsgronden. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2691 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

27 maart 2015, 14/1608 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 4 oktober 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2016. Appellante is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

Na de zitting is het onderzoek heropend teneinde appellante in de gelegenheid te stellen een expertiserapport in te brengen.

Partijen hebben aanvullende stukken ingediend.

Geen van beide partijen heeft te kennen gegeven gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Hierop is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als schoonmaakster voor 25 uur per week. Op 28 november 2011 heeft zij zich ziek gemeld met hartklachten. Op 19 augustus 2013 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 15 november 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij op 25 november 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Aan dit besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts van 21 oktober 2013 met een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van dezelfde datum en een rapport van een arbeidsdeskundige van 8 november 2013 ten grondslag gelegd.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 9 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 november 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

3 april 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 april 2014 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het door de verzekeringsartsen verrichte medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid van appellante op de datum in geding. De door appellante in beroep overgelegde medische stukken bevonden zich al in het dossier en waren door de verzekeringsartsen in hun beoordeling betrokken of zeggen niets over de belastbaarheid van appellante op de datum in geding. De rechtbank heeft in wat appellante daarover in beroep nog naar voren heeft gebracht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel en daarbij volstaan met een verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 november 2014. De rechtbank heeft geen grond gezien voor de conclusie dat de FML van 21 oktober 2013 niet juist is. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien over te gaan tot het inschakelen van een onafhankelijk medisch deskundige. Het bestreden besluit berust volgens de rechtbank op een juiste medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellante.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Zij houdt staande dat het Uwv haar lichamelijke en psychische beperkingen per

25 november 2013 heeft onderschat. Appellante acht zich vanwege haar beperkingen niet in staat de geselecteerde functies te verrichten, zodat zij in aanmerking dient te worden gebracht voor een WIA-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het namens appellante in hoger beroep aangevoerde is in essentie een herhaling van haar beroepsgronden. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt, naar aanleiding van de in hoger beroep gewisselde stukken, het volgende toegevoegd.

4.2.

Zoals in het procesverloop beschreven, is appellante na de zitting van 28 september 2016 in de gelegenheid gesteld een expertiserapport over te leggen. Bij brief van 25 november 2016 heeft appellante een expertiserapport overgelegd van verzekeringsarts

H.J.M. van der Planken, met daarbij een door Van der Planken opgestelde FML, alsmede een bericht van behandelend psycholoog H. Özer van 10 november 2016. Van der Planken en Özer hebben appellante op respectievelijk 4 november 2016 en 9 november 2016 gezien.

4.3.

In reactie op de in 4.2 genoemde stukken heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 december 2016 overgelegd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de gegevens die Özer vermeldt alleen betrekking op de psychische situatie van appellante op de datum van het onderzoek en niet op de datum in geding. Ook het rapport van Van der Planken ziet volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op de datum in geding. Van der Planken is door mr. Kaya in diens vraagstelling niet gewezen op de datum in geding. Hem is verzocht om een inschatting en beschrijving van eventueel aanwezige beperkingen voor het verrichten van arbeid, zonder dat daarbij een datum is vermeld. Uit het rapport van Van der Planken is ook niet af te leiden dat hij zich heeft gericht op de datum in geding. De FML die hij heeft opgesteld bevat de vermelding “geldend met ingang van 4 november 2016”. Deze geeft dus geen inschatting van de situatie op 25 november 2013. Daarbij is van belang dat Van der Planken duidelijk een verdere ontwikkeling van klachten beschrijft die niet alleen ziet op de periode tussen 2011 en 2013, maar met name op de periode van 2013 tot de datum van zijn onderzoek. Hij neemt in zijn beoordeling allerlei gebeurtenissen en omstandigheden tussen 2013 en de datum van zijn onderzoek mee, die invloed hebben gehad op het klachtenpatroon, met name wegens daarbij gebruikelijke psychologische mechanismen, zoals operante conditionering en gewoontevorming, waardoor appellante meer beperkt is geraakt. Van der Planken wijst daarbij op de verdere ontwikkeling van de psychische klachten tot een angststoornis.

4.4.

Het in 4.3 weergegeven standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt onderschreven. De door Özer vermelde gegevens bevatten geen enkele aanwijzing dat zij (ook) betrekking hebben op een andere datum dan de datum van het onderzoek,

9 november 2016. Voor het rapport van Van der Planken geldt eveneens dat dit geen aanwijzing bevat dat het (ook) betrekking heeft op een andere datum dan de datum van het onderzoek, 4 november 2016. Gelet op de vermelding op de door Van der Planken opgestelde FML is veeleer aan te nemen dat Van der Planken zich juist uitsluitend heeft gericht op de situatie op de datum van het onderzoek, waarbij van belang is dat het rapport juist aanwijzingen bevat dat zich tussen de datum in geding en de datum van het onderzoek ontwikkelingen hebben voorgedaan in de situatie van appellante. In het bericht van Özer en het rapport van Van der Planken kan dan ook geen steun worden gevonden voor het standpunt van appellante dat haar situatie op de datum in geding, 25 november 2013, niet juist is beoordeeld.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Bij deze uitkomst is een schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente niet aan de orde. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt dan ook afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en M.C. Bruning en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2018.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) R.L. Rijnen

TM