Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
16/5389 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. De door appellant verrichte werkzaamheden dienen, gelet op de aard en de omvang ervan, te worden aangemerkt als werkzaamheden die op geld waardeerbaar zijn waarmee enig geldelijk voordeel werd beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kon worden verwacht. De door appellant verrichte activiteiten hadden met ingang van 1 juni 2014, en dus reeds voor het intreden van zijn werkloosheid, het stadium van een hobby gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0078
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5389 WW

Datum uitspraak: 20 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2016, 15/9132 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

De erven en/of rechtverkrijgenden van [appellant] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats 1] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Douwes hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat appellant op 18 september 2017 is overleden, heeft mr. Douwes de procedure namens de enige erfgenaam van appellant, [naam 1] , voortgezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2018. Mr. Douwes is verschenen. Tevens is verschenen mr. W.M.N. Oosterwaal als medegemachtigde. Als door mr. Douwes meegebrachte getuige is gehoord [naam getuige] , wonende te [woonplaats 2] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 23 augustus 2004 als docent werkzaam in dienst van de [Stichting] . Met ingang van 1 juni 2014 was hij vrijgesteld van werk/op non-actief gesteld. Het dienstverband is door middel van een vaststellingsovereenkomst per 1 oktober 2014 geëindigd. Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 oktober 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een verlies van 37 arbeidsuren per week.

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding dat appellant werkzaamheden zou verrichten als zelfstandige is het Uwv een onderzoek gestart.

1.3.

Bij besluit van 2 september 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant herzien

(lees: ingetrokken) en in verband daarmee over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 19 juli 2015 een bedrag van € 25.585,89 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering van hem teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant niet aan het Uwv heeft doorgegeven dat hij als zelfstandige heeft gewerkt. Dat standpunt is gebaseerd op een onderzoeksrapport van 31 juli 2015 van een inspecteur van de Directie Handhaving van het Uwv.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 11 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 september 2015 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de WW-uitkering van appellant was gebaseerd op een gemiddeld verlies van 37 arbeidsuren per week, dat hij op 1 oktober 2014 werkzaam was als zelfstandige voor 40 uur per week en dat hij daarmee het werknemerschap, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW heeft verloren.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser:

“Uit het onderzoeksrapport van 31 juli 2015 van Uwv-inspecteur [naam 2] is het volgende gebleken. Eiser is vanaf 1 juni 2014 samen met zijn partner in het havengebied van [gemeente] een wijnbar annex winkel, [naam winkel] met als rechtsvorm een Vof, is begonnen. Eiser is van 14 april 2014 tot 29 september 2014 vennoot geweest van [naam winkel] . Op 30 maart 2015 is de besloten vennootschap [naam winkel] opgericht, waarvan eiser met zijn partner als bestuurder staan geregistreerd bij de Kamer van Koophandel. Voorts is uit het onderzoeksrapport gebleken dat de burgemeester van Den Haag bij besluiten van 7 november 2014 een exploitatievergunning voor een horeca-inrichting en een drank- en horecawetvergunning ten behoeve van eiser en zijn partner heeft afgegeven. Bij [naam winkel] was de heer [naam 3] van 5 juni 2014 tot en met 3 december 2014 in dienst en de heer [naam 4] van 6 december 2014 tot op heden. De heer [naam 3] heeft ten overstaan van de Uwv-inspecteur verklaard dat hij eiser kent als eigenaar van [naam winkel] en dat eiser altijd aanwezig was tijdens de openingstijden. De heer [naam 4] heeft verklaard dat hij eiser kent als eigenaar van [naam winkel] , dat hij door eiser is ingewerkt en dat eiser bezig was met de ontvangst van gasten en het organiseren van partijen, aldus het onderzoeksrapport.”

2.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat de onderzoeksgegevens van het Uwv onjuist zijn. Het betoog van appellant dat hij zich hobbymatig met de wijnhandel bezighield en slechts hand- en spandiensten verrichtte, acht de rechtbank in het licht van de onderzoeksresultaten niet geloofwaardig, omdat uit het voornoemde onderzoeksrapport onmiskenbaar blijkt dat appellant participeerde in een bedrijfsmatige handel gericht op het behalen van winst. De werkzaamheden van appellant kunnen naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar worden gekwalificeerd als economische arbeid. De rechtbank heeft in dit verband doorslaggevend geacht dat appellant zelf heeft verklaard dat hij steeds aanwezig was en is in de wijnbar/winkel om klanten te ontvangen en van advies te dienen. Voorts heeft de rechtbank van belang geacht de gegevens van de Kamer van Koophandel, de afgegeven exploitatie- en drank- en horecavergunning en de waarnemingen van de inspecteurs van het Uwv.

2.3.

Gelet op de voornoemde bevindingen, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden het standpunt ingenomen dat appellant werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht in een dusdanige omvang dat hij zijn werknemerschap in ieder geval vanaf de toekenning van de WW-uitkering volledig heeft verloren. De stelling van appellant dat hij niet fulltime bezig was met het werk in de wijnbar/winkel slaagt niet, nu deze stelling, ondanks dat appellant daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet met verifieerbare en concrete gegevens is onderbouwd.

2.4.

Het Uwv was verplicht tot herziening (lees: intrekking) van de WW-uitkering van appellant en tot terugvordering van wat onverschuldigd is betaald. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen die voor het Uwv aanleiding hadden moet zijn van herziening (lees: intrekking) en terugvordering van de uitkering af te zien.

3. Gelet op wat ter zitting van de Raad is besproken, worden partijen in hoger beroep nog slechts verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of appellant vanaf 1 oktober 2014 binnen de onderneming [naam winkel] als zelfstandige werkzaam is geweest. Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat hij niet als zelfstandige werkzaam is geweest. Het gaat slechts om werkzaamheden verricht in het kader van zijn hobby. Volgens het Uwv is sprake geweest van werkzaamheden als zelfstandige en heeft appellant zijn werknemerschap als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de WW verloren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het wettelijk kader, zoals geldend ten tijde in geding, wordt gevormd door de volgende bepalingen (tekst geldend tot 1 januari 2015).

4.1.1.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

4.1.2.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de WW eindigt het recht op uitkering voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

4.1.3.

Ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW herziet het Uwv, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, een dergelijk besluit of trekt dat in indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4.1.4.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de hiervoor onder 3 geformuleerde vraag is in essentie een herhaling van wat hij beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, als (samengevat) weergegeven onder rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3, worden geheel onderschreven.

4.3.

Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad

(zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9083) wordt onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest, verstaan arbeid die in het economische verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Appellant heeft op 24 juli 2015 tegenover de inspecteur van het Uwv verklaard dat hij hoopt dat hij fulltime kan gaan doen wat hij leuk vindt en waar hij goed in is. Appellant heeft ook verklaard dat hij feitelijk na de feestelijke opening (op 1 juni 2014) ook dagelijks aanwezig was gedurende de openingstijden, in afwachting van klanten om hen te adviseren over de wijnen. De ter zitting afgelegde verklaring van getuige [naam getuige] heeft geen wezenlijk ander licht op de activiteiten van appellant geworpen. De door appellant verrichte werkzaamheden dienen, gelet op de aard en de omvang ervan, te worden aangemerkt als werkzaamheden die op geld waardeerbaar zijn waarmee enig geldelijk voordeel werd beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kon worden verwacht. De door appellant verrichte activiteiten hadden met ingang van 1 juni 2014, en dus reeds voor het intreden van zijn werkloosheid, het stadium van een hobby gepasseerd.

4.4.

Voor zover appellant een beroep heeft willen op het door het Uwv met betrekking tot de toepassing van artikel 8, eerste lid, van de WW, tot 1 januari 2015 gevoerde beleid, wat inhoudt dat moet worden beoordeeld of appellant niet verzekeringsplichtige werkzaamheden heeft verricht in de periode van 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van het arbeidsurenverlies, slaagt dat beroep niet. Uit het onderzoeksrapport is naar voren gekomen dat appellant op 1 juni 2014 op non-actief is gesteld. Vanaf die datum, en niet eerder, is hij aangevangen met zijn werkzaamheden voor [naam winkel] . Van het naast elkaar verrichten van werkzaamheden als werknemer en als zelfstandige is in het geval van appellant geen sprake geweest. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 4 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1042 (overwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.4).

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) W.M. Swinkels

RB