Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3027

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
16/4289 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WAO-uitkering. Boete. Inkomsten uit werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4289 WAO, 16/4290 WAO

Datum uitspraak: 27 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

28 april 2016, 14/4837 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Pater, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Namens appellant is

mr. Pater verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft vanaf 1 maart 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Omdat werd vermoed dat appellant werkzaamheden verrichtte in een visverwerkend bedrijf heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in onderzoeksrapporten van 11 augustus 2011 en van

25 september 2012. In deze rapporten is geconcludeerd dat appellant in de periode van

1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2013 werkzaam is geweest bij [BV] ( [BV] ) zonder dat hij hiervan mededeling heeft gedaan aan het Uwv.

1.2.

Bij besluit van 19 december 2013 heeft het Uwv, met toepassing van artikel 44 van de WAO, de uitbetaling van de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2011 herzien en over de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2013 een bedrag van € 18.984,98 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij een tweede besluit van 19 december 2013 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 1.900,- wegens schending van zijn inlichtingenplicht, omdat hij het Uwv geen mededeling heeft gedaan van de inkomsten uit zijn werkzaamheden in dienst van [BV] .

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de twee besluiten van 19 december 2013. Bij besluit van 21 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 19 december 2013 gegrond verklaard omdat gebleken is dat de terugvordering en de boete onjuist zijn berekend. Het Uwv heeft het bedrag van de terugvordering verlaagd naar

€ 8.515,55 en de boete vastgesteld op € 860,-. Het Uwv heeft appellant de kosten van bezwaar vergoed.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de gedingstukken, waaronder de onderzoeksrapporten, niet blijkt dat appellant het Uwv heeft gemeld dat hij vanaf

1 januari 2011 werkzaam is geweest voor [BV] en dat hij zijn inkomsten uit deze arbeid heeft doorgegeven. Uit de door appellant overgelegde verklaring van 22 juni 2015 blijkt dat [naam bedrijf] in 2011 een formulier aan het Uwv, vermoedelijk het kantoor te [gemeente] , heeft gezonden met de melding dat appellant een dienstverband heeft met [BV] . Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit niet dat appellant zijn werkzaamheden en zijn inkomsten uit arbeid in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2013 tijdig heeft gemeld aan het Uwv. Het Uwv heeft in zijn dossier geen formulier aangetroffen waarop melding is gemaakt van de inkomsten van appellant bij [BV] . Appellant heeft ook niet op andere wijze aangetoond dat hij zijn werkzaamheden en inkomsten uit arbeid in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 oktober 2013 aan het Uwv heeft gemeld. Gelet hierop heeft het Uwv zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Daarom mocht het Uwv de WAO-uitkering van appellant met terugwerkende kracht herzien en was het Uwv gehouden de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant terug te vorderen. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van herziening en terugvordering had moeten afzien.

2.3.

De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het Uwv, wegens de schending van de inlichtingenplicht, bevoegd was om appellant een boete op te leggen en dat een boete van

€ 860,-, mede gelet op de periode waarover de overtreding heeft plaatsgevonden, niet onevenredig is. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen voor het Uwv om van het opleggen van een boete af te zien.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij wel aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan en het Uwv heeft geïnformeerd over zijn werkzaamheden bij [BV] . Volgens appellant heeft de accountant van zijn werkgever (tijdig) doorgegeven dat hij bij een (andere) werkgever, [BV] , was gaan werken en heeft hij steeds zijn salarisspecificaties doorgezonden naar het Uwv. Indien geoordeeld zou moeten worden dat appellant inderdaad de inlichtingenplicht heeft geschonden, dan valt hem hiervan geen verwijt te maken. Ook heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte geoordeeld dat er geen dringende redenen aanwezig waren om af te zien van het opleggen van een boete. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij ver onder de bijstandsgrens leeft.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over zijn financiële draagkracht, heeft het Uwv appellant een formulier toegestuurd om de actuele financiële draagkracht van appellant te berekenen. Appellant heeft dit formulier niet ingevuld en ondertekend retour gezonden. Daarom ziet het Uwv geen aanleiding de boete wegens verminderde financiële draagkracht te matigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 44, eerste lid, van de WAO wordt, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

4.1.2.

Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

4.2.

Voorop staat dat uit artikel 44, eerste lid, van de WAO volgt dat de inkomsten die appellant heeft verworven met zijn werkzaamheden voor [BV] , moeten worden verrekend met zijn WAO-uitkering. Dat appellant in de betreffende periode de door het Uwv vastgestelde inkomsten heeft genoten, wordt door hem niet betwist. Voor zover appellant stelt dat het Uwv niettemin niet tot verrekening over mag gaan omdat hij die inkomsten steeds heeft gemeld, slaagt die grond niet, reeds omdat met de rechtbank wordt geoordeeld dat op grond van de beschikbare gegevens niet is gebleken dat appellant het Uwv heeft geïnformeerd over zijn werkzaamheden bij [BV] en de daarmee verdiende inkomsten. Het Uwv heeft hiervan geen stukken ontvangen en appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij enig stuk, dat daarop betrekking heeft, aan het Uwv heeft verzonden. Daarbij is van belang dat appellant iedere maand een opgave had moeten doen van zijn inkomsten. Verder blijkt uit de stukken niet dat de accountant van de werkgever bij het Uwv mededeling heeft gedaan van de (aanvang van de) werkzaamheden van appellant bij [BV] . Indien en voor zover daarvan wel sprake is geweest, dan laat dat onverlet de eigen verplichting van appellant om het Uwv mededeling te doen van zijn werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten.

4.3.

Gelet hierop was het Uwv gehouden om de inkomsten uit arbeid met terugwerkende kracht te korten op de WAO-uitkering van appellant. Met betrekking tot de wijze waarop het Uwv de inkomsten heeft gekort op de WAO-uitkering heeft appellant geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Van de juistheid van de door het Uwv gemaakte berekening wordt uitgaan. Het Uwv was ook gehouden om de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van appellant terug te vorderen. Voor zover appellant een beroep op dringende redenen heeft gedaan ter zake van de anticumulatie en terugvordering heeft hij niet aan de hand van inkomens- en vermogensgegevens aannemelijk gemaakt dat van dergelijke dringende redenen sprake is.

4.4.

Gelet op wat onder 4.2 is overwogen heeft appellant de ingevolge artikel 80 van de WAO op hem rustende inlichtingenplicht geschonden door geen mededeling te doen van zijn werkzaamheden en inkomsten bij [BV] . Het Uwv was dan ook bevoegd en gehouden om appellant een boete op te leggen.

4.5.

Appellant is door het Uwv in de gelegenheid gesteld om een toelichting te geven bij zijn draagkracht. Appellant heeft daarvan geen gebruik gemaakt en heeft ook in hoger beroep geen inzage gegeven in zijn financiële draagkracht of de omstandigheden waarin hij verkeert. Gelet daarop is er geen aanleiding om de boete te matigen.

4.6.

Ook voor de gestelde dringende reden heeft appellant geen feiten of omstandigheden aangevoerd die dat beroep zouden kunnen rechtvaardigen. Het beroep op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van de boete slaagt daarom niet.

4.7.

Gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag, de periode waarover appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden en op de mate van verwijtbaarheid die hem treft, is een boete van € 860,- in dit geval evenredig.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2018.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

TM