Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
17/208 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Het Uwv heeft terecht geen beperking aangenomen voor het niet kunnen functioneren in een omgeving met elektromagnetische straling. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 208 ZW

Datum uitspraak: 27 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 november 2016, 15/6757 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.J.C. Spapen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spapen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als assistent begeleider bij een zorgboerderij. Op 10 januari 2013 heeft hij zich ziek gemeld met medische klachten vanuit een situatie waarin hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving. Appellant stelt hoog sensitief te zijn en daarnaast het elektromagnetische hypersensitiviteit syndroom (EHS) te hebben. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 7 januari 2014 vastgesteld dat appellant per

10 februari 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid als assistent begeleider bij een zorgboerderij, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies.

1.3.

Het Uwv heeft appellant per 10 februari 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW. Appellant heeft zich op 16 juni 2015 opnieuw ziek gemeld met medische klachten. In verband hiermee heeft hij op 15 juli 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 29 juli 2015 geschikt geacht voor een van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, namelijk de functie van inpakker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 23 juli 2015 vastgesteld dat appellant per

29 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

29 september 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest en dat geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat er geen aanleiding bestond om een lichamelijk onderzoek te verrichten. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestond om informatie bij de behandelend sector in te winnen. Appellant is volgens de rechtbank terecht met ingang van 29 juli 2015 in staat geacht de maatgevende arbeid te verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank niet gevolgd kan worden omdat geen sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek. Er had volgens appellant een lichamelijk onderzoek moeten plaatsvinden en er had informatie bij de behandelend sector moeten worden opgevraagd. Volgens appellant moet er, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet van worden uitgegaan dat de bij de EZWb opgemaakte Functionele Mogelijkhedenlijst vaststaat en dat alleen zou moeten worden beoordeeld of zijn beperkingen zijn toegenomen. Terzake van zijn ziekmelding per 16 juni 2015 moet opnieuw worden beoordeeld wat zijn beperkingen zijn en of hij in staat is daarmee de functie van inpakker te kunnen verrichten. Volgens appellant kan hij dat niet omdat hij alleen kan functioneren in een volledig stralingsarme omgeving. In dat verband is van belang dat zowel in de medische wetenschap als bij het Uwv volgens appellant inmiddels anders wordt geoordeeld over stralingsklachten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

Aan de orde is de vraag of het Uwv terecht het besluit heeft genomen om de

ZW-uitkering van appellant per 29 juli 2015 te beëindigen. Dit is gebaseerd op het standpunt dat appellant ondanks zijn op die datum aanwezige beperkingen, in staat is de functie van inpakker te verrichten. Ter zitting is vastgesteld dat het geschil zich toespitst op de vraag of het Uwv terecht geen beperking heeft aangenomen voor het niet kunnen functioneren in een omgeving met elektromagnetische straling, welke vraag, evenals de rechtbank heeft gedaan, bevestigend wordt beantwoord. Dit op grond van het volgende.

4.3.

Uit de dossiergegevens blijkt niet dat het om objectief medische redenen is aangewezen om een dergelijke beperking aan te nemen. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht waaruit dit blijkt en heeft ter zitting erkend niet over dergelijke informatie te beschikken. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt ook dat de behandelend sector appellant niet kan behandelen. Het standpunt van de verzekeringsartsen, dat er geen medisch objectieve grond bestaat om een beperking ten aanzien van een elektromagnetische stralingsarme omgeving aan te nemen, is overtuigend. De verzekeringsartsen hebben goed gemotiveerd dat ook uit de literatuur geen consensus blijkt over dit onderwerp die steun biedt aan de stelling van appellant.

4.4.

Appellant stelt altijd coherent, consistent en bestendig te zijn geweest in het naar voren brengen van zijn beperkingen. Appellant heeft zijn woning zoveel mogelijk ontdaan van elektriciteit en afgeschermd tegen elektromagnetische straling. Dit leidt niet tot een andere conlusie omdat ook daaruit de noodzakelijke objectief medische vaststelling niet kan worden afgeleid. Het Uwv heeft appellant met ingang van 29 juli 2015 dan ook terecht in staat geacht tot het verrichten van de functie van inpakker.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van

M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

27 september 2018.

(getekend) A.T. Kwaasteniet

(getekend) M.A.A. Traousis

CVG