Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3009

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
17/3532 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van bijzondere omstandigheden om AIO-aanvulling eerder te verlenen dan met ingang van de datum van de aanvraag. Op de Svb rust geen actieve informatieplicht over het recht op AIO-aanvulling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3532 PW

Datum uitspraak: 2 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 maart 2017, 16/6973 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.G.M. Haase, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Namens appellante is mr. Haase verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante verblijft sinds 2007 in Nederland en heeft sinds 2011 een verblijfsvergunning. Bij brief van 24 mei 2011 heeft de Svb appellante meegedeeld dat zij in aanmerking kan komen voor een financiële tegemoetkoming van de overheid, de Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (KOB). Op 3 juni 2011 heeft appellante de tegemoetkoming KOB aangevraagd en de Svb heeft die haar met ingang van juni 2011 toegekend. Bij brief van

23 december 2014 heeft de Svb appellante meegedeeld dat de tegemoetkoming KOB per

1 januari 2015 vervalt en dat daarvoor de inkomensondersteuning Algemene ouderdomswet (AOW) in de plaats komt. Omdat appellante geen AOW-pensioen ontvangt krijgt zij vanaf

1 januari 2015 geen inkomensondersteuning AOW.

1.2.

Op 17 februari 2016 heeft de buurvrouw van appellante de Svb meegedeeld dat appellante aanvullende bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) wil aanvragen. Op

23 februari 2016 heeft appellante de aanvraag ingediend.

1.3.

Bij besluit van 2 maart 2016 heeft de Svb appellante met ingang van 17 februari 2016 een AIO-aanvulling toegekend. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt, omdat zij het met de ingangsdatum van de aanvullende bijstandverlening niet eens was.

1.4.

Bij besluit van 21 juli 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum dan 17 februari 2016 rechtvaardigen. Deze bijzondere omstandigheden zijn erin gelegen dat de Svb appellante ten onrechte niet heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om een AIO-aanvulling aan te vragen, waardoor zij de aanvraag niet tijdig heeft ingediend. Dit geldt volgens appellante temeer nu

de Svb haar wel ongevraagd heeft geïnformeerd over de mogelijkheid de tegemoetkoming KOB aan te vragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 44, eerste lid, van de PW is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van de melding om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Uit artikel 47a, tweede lid, van de PW volgt dat deze bepaling ook van toepassing is op het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een AIO-aanvulling door de Svb.

4.2.

Ingevolge artikel 47d, tweede lid, van de PW wordt de aanvraag voor een AIO-aanvulling ingediend bij de Svb. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, van dit artikel heeft de belanghebbende zich voor algemene bijstand als AIO-aanvulling gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij de Svb zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij de Svb. Niet in geschil is dat die melding op

17 februari 2016 heeft plaatsgevonden.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (onder andere de uitspraak van 11 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:836), welke rechtspraak onder de PW zijn gelding heeft behouden, bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zodanige omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat de betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, dan wel in het geval dat is gebleken dat de betrokkene eerder op enigerlei wijze actie in de richting van de Svb heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.4.

De beroepsgrond dat bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum dan

17 februari 2016 rechtvaardigen slaagt niet. Het door appellante gestelde feit dat zij eerder niet bekend was met het recht op een AIO-aanvulling vormt geen bijzondere omstandigheid als bedoeld onder 4.3. Dit geldt eveneens voor het door haar gestelde feit dat de Svb haar niet heeft voorgelicht. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van appellante om tijdig een aanvraag om een AIO-aanvulling in te dienen. Op de Svb rust ter zake van de regelgeving en de daaruit voortvloeiende rechten voor een betrokkene geen actieve informatieplicht. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is onbekendheid met een wettelijke regeling en een gebrek aan voorlichting van de zijde van het bijstandverlenend orgaan dan ook geen reden om tot toekenning van bijstand met terugwerkende kracht over te gaan.

4.5.

Het betoog van appellante dat de Svb had moeten informeren naar de financiële situatie van appellante en haar daarna had moeten wijzen op de mogelijkheid tot het aanvragen van een AIO-aanvulling treft, gelet op het voorgaande, geen doel. Een verplichting van de Svb als door appellante gesteld vindt geen steun in het recht. Dat de Svb appellante eerder wel ongevraagd heeft geïnformeerd over de tegemoetkoming KOB maakt dat niet anders. De KOB is een tegemoetkoming die in beginsel iedereen die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt ontvangt. Een AIO-aanvulling wordt slechts verleend op aanvraag, die moet worden beoordeeld aan de hand van meer criteria dan slechts de pensioengerechtigde leeftijd. De vergelijking met de KOB gaat daarom niet op.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Svb geen aanleiding heeft hoeven zien om een AIO-aanvulling toe te kennen met ingang van een eerdere datum dan 17 februari 2016.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) S.A. de Graaff

LO