Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
16/7776 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemeld bezit van contant geldbedragen en middelen waarmee luxe goederen konden worden aangeschaft. Vooronderstellingen dat geldbedragen behoren tot het vermogen van appellant en dat sprake moet zijn geweest van middelen. Boete op basis van schending en benadelingsbedrag. Geen opzet. Geen informatie over draagkracht zodat de boete op € 4.626,85 wordt vast gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7776 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

14 november 2016, 16/1310 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (college)

Datum uitspraak: 25 september 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.H. Acun, advocaat, hoger beroep ingesteld en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Acun. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.I.E. Rhuggenraath.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 juli 1993 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij woont sinds 14 oktober 1987 in een woonwagen op het adres [adres] (uitkeringsadres). De woonwagen bevindt zich op het [locatie] , dat is bestempeld als vrijplaats/handhavingsknelpunt.

1.2.

In het kader van een integrale aanpak vrijplaatsen/handhavingsknelpunten en het opsporingsonderzoek MUNT zijn op 31 oktober 2013 alle woningen op het [locatie] onderzocht, waaronder ook de woning van appellante. Bij de zoeking is onder meer vastgesteld dat een groot aantal kostbare goederen in de woonwagen op het uitkeringsadres aanwezig was en is in de slaapkamer van appellante een bedrag van bijna € 40.000,- in contanten aangetroffen. Een sociaal rechercheur van Werk en Inkomen, Team Werk Handhaving van de gemeente ’s-Hertogenbosch heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. Zijn bevindingen zijn neergelegd in een rapport sociale recherche van 2 mei 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 mei 2014 (besluit 1) de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 1993 in te trekken. Het college heeft voorts over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 oktober 2013 de gemaakte kosten van algemene bijstand van appellante teruggevorderd en over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 januari 2014 de kosten van bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag, in totaal een bedrag van € 242.757,90.

1.4.

Bij besluit van 2 oktober 2014 (besluit 2) heeft het college aan appellante een boete opgelegd van € 14.294,-, gelijk aan 100% van het netto-benadelingsbedrag over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013.

1.5.

Bij besluit van 19 januari 2016 (besluit 3) heeft het college, onder intrekking van het besluit van 17 maart 2015 tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag om bijstand van appellante van 15 januari 2015, die aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden sinds het intrekken van de bijstand op

1 november 2013 waardoor het recht op bijstand nog steeds niet is vast te stellen.

1.6.

Bij besluit van 12 april 2016 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen besluit 1 deels gegrond verklaard en de datum met ingang waarvan de bijstand wordt ingetrokken gewijzigd in 15 april 2011. Dit betekent dat de algemene bijstand wordt teruggevorderd over de periode van 15 april 2011 tot en met 31 oktober 2013 en de bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag over de periode van 15 april 2011 tot en met 30 januari 2014. Het college heeft het totaal terug te vorderen bedrag vastgesteld op

€ 37.551,92. Het college heeft de bezwaren tegen besluit 2 en 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 15 april 2011, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 23 mei 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Vaststaat dat in de woonwagen van appellante op 31 oktober 2013 een bedrag van bijna

€ 40.000,- in contanten is aangetroffen. Uit het rapport van de sociale recherche en de daarbij gevoegde foto’s blijkt dat dit bedrag in de slaapkamer van appellante is gevonden, waarbij een bedrag van € 10.000,- werd aangetroffen in een washandje in een kast op die kamer en een bedrag van € 29.650,- in een laars eveneens in die kast.

4.4.

Indien een betrokkene in het bezit is van een bedrag aan contanten is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat dit bedrag een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.5.

Appellante is hierin niet geslaagd. De stelling dat dit bedrag, ondanks dat het geld in haar slaapkamer is gevonden, aan haar zoon toebehoorde, heeft zij niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. De door haar in hoger beroep overgelegde beschikkingen op bezwaar van de Belastingdienst zijn daartoe ontoereikend. Gelet op de te beoordelen periode is alleen de beslissing op bezwaar van 7 november 2016 die ziet op het belastingjaar 2013 van belang. Deze beslissing op bezwaar betreft een door een bestuursorgaan genomen beslissing, waarbij een andere vraag voorlag met een ander beoordelingskader en uit deze beslissing wordt niet duidelijk op grond van welke feiten de Belastingdienst de conclusie heeft getrokken dat het contante geldbedrag van € 39.650,- ten onrechte aan appellante is toegekend. Overigens heeft de Belastingdienst in zijn eindconclusie voor dat belastingjaar vastgesteld dat appellante meer dan de aangegeven inkomsten moet hebben genoten uit een niet nader te noemen bron.

4.6.

Het beschikken over vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen is een omstandigheid waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kon zijn op de (omvang van) het recht op bijstand en dat zij het college daarvan onverwijld mededeling had moeten doen. Door de aanwezigheid van vermogen niet aan het college te melden heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.7.

Bij de huiszoeking op 31 oktober 2013 zijn voorts diverse luxe goederen aangetroffen zoals kleding, schoenen, tassen en andere accessoires van duurdere merken zoals Louis Vuitton, Prada en Chanel en voorts meerdere aankoopbewijzen van luxe goederen. Hiermee heeft appellante uitgaven gedaan die het voor een bijstandsgerechtigde gebruikelijke bestedingspatroon ruimschoots te boven gaan. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 31 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3245) rechtvaardigen zulke uitgaven de vooronderstelling dat de betrokkene in de periode van belang beschikte of redelijkerwijs heeft kunnen beschikken over middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellante is hierin niet geslaagd. Zij heeft verklaard dat zij de luxe goederen of zelf heeft gekocht van haar spaargeld of cadeau heeft gekregen. Dit heeft zij echter niet aannemelijk gemaakt met objectieve verifieerbare gegevens.

4.8.

Appellante heeft aan het college niet gemeld dat zij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de onder 4.7 bedoelde middelen. Nu het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat dit voor de verlening van de bijstand van belang kon zijn, heeft appellante ook daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.9.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Nu appellante geen inzicht heeft geboden in haar financiële situatie is niet vast te stellen in hoeverre zij verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

4.10.

Omdat appellante geen concrete en verifieerbare gegevens heeft verstrekt over de (herkomst van de) bij haar aangetroffen middelen en goederen, heeft het college voor de aanvangsdatum van de intrekking kunnen uitgaan van 15 april 2011. Voor die datum bestaat voldoende feitelijke grondslag, omdat uit de in de woonwagen aangetroffen aankoopbonnen van een aantal goederen blijkt dat vanaf deze datum het aankopen van luxe artikelen in elk geval heeft plaatsgevonden. Het betoog van appellante dat het hier een willekeurige datum betreft waarop een incidentele aankoop heeft plaatsgevonden, wordt niet gevolgd, omdat vier dagen later nogmaals een aanschaf heeft plaatsgevonden en relatief kort daarna verdere aankopen zijn gedaan. Daarbij wordt erop gewezen dat appellante door geen inzicht te verschaffen in haar financiële situatie met betrekking tot de aanvangsdatum van de aanwezigheid van middelen - en dus ook met betrekking tot het kunnen vaststellen van het moment waarop zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden - een bewijsrisico heeft genomen waarvan de gevolgen voor haar rekening en risico moeten blijven.

5. Uit 4.3 tot en met 4.10 volgt dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de conclusie van het college dat appellante vanaf 15 april 2011 over middelen beschikte die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Omdat appellante geen duidelijkheid heeft geboden over de herkomst van het geld in contanten en de diverse op 31 oktober 2013 aangetroffen luxe goederen in haar woning kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld over de gehele te beoordelen periode. Het college was gehouden de bijstand in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Tegen de terugvordering heeft appellante geen beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

Boete

6. Van toepassing zijn artikel 18a van de Participatiewet (PW) en het Boetebesluit zoals deze met ingang van 1 januari 2017 luiden. Voor een weergave van de relevante uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt eveneens verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12.

6.1.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754) moet het bestuursorgaan bij de beoordeling van de evenredigheid van een boete de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en moet het daarbij zo nodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuursorgaan met betrekking tot de boete aan deze eisen voldoet en dus leidt tot een evenredige sanctie.

6.2.

Uit 4.6 en 4.8 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Daarvan kan appellante een verwijt worden gemaakt. Gelet hierop was het college in beginsel gehouden een boete op te leggen van ten hoogste het vastgestelde benadelingsbedrag.

6.3.

Uit de onder 6.1 vermelde rechtspraak volgt dat een weging dient plaats te vinden van alle feiten en omstandigheden en dat de hoogte van de boete moet worden afgestemd op de individuele situatie van de betrokkene. Een beboetbare gedraging leidt volgens die rechtspraak en ook ingevolge het thans geldende artikel 2, vierde lid, van het Boetebesluit bij ‘gewone’ verwijtbaarheid tot een boete van 50% van het benadelingsbedrag. Afwijking van dit percentage naar boven is gerechtvaardigd indien sprake is van opzet of grove schuld. Het is aan het bestuursorgaan om aan te tonen dat de betrokkene met opzet of grove schuld heeft gehandeld. Onder opzet wordt in dit verband verstaan een willens en wetens handelen of nalaten dat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Onder grove schuld wordt verstaan een ernstige, aan opzet grenzende, mate van nalatigheid, waardoor ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Aangezien opzet of grove schuld zijn te beschouwen als verzwarende omstandigheden die leiden tot een hogere boete, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aan te tonen dat daarvan sprake is. Afwijking van dit percentage naar beneden is aangewezen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij de overtreder. Het bestuursorgaan dient op basis van de beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met door de betrokkene nader te verstrekken inlichtingen of gegevens, te beoordelen of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

6.4.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de opgelegde boete onevenredig zwaar is. Deze beroepsgrond slaagt. Anders dan het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, heeft het college niet aangetoond dat appellante willens en wetens de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De door het college genoemde omstandigheden die betrekking hebben op de duur van de schending en de hoogte van de verzwegen middelen zijn daartoe niet voldoende, omdat daarmee geen inzicht wordt verkregen in de oorzaak of reden van het niet melden. Ook overigens heeft het college geen omstandigheden aangevoerd die afwijking van de onder 6.3 beschreven situatie van “gewone” verwijtbaarheid rechtvaardigen. Hieruit volgt dat ter zake van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante geen sprake is van verzwarende omstandigheden. Evenmin heeft appellante omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan tot verminderde verwijtbaarheid moet worden geconcludeerd. Uitgaande van ‘normale’ verwijtbaarheid, is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming van de boete wat betreft het aspect van verwijtbaarheid.

6.5.

De door appellante op verzoek van de Raad verstrekte informatie geeft geen aanleiding de boete op grond van de actuele draagkracht van appellante te verlagen. De overgelegde financiële gegevens geven geen toereikend inzicht in de actuele financiële situatie van appellante, waaronder haar vermogenssituatie.

6.6.

Onder het benadelingsbedrag, zoals volgt uit artikel 18a, tweede lid van de WWB, ongewijzigd overgenomen in artikel 18a, tweede lid, van de PW, wordt verstaan het bedrag dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen. Voor de vaststelling van de hoogte van de boete vormt het benadelingsbedrag het uitgangspunt. Dit benadelingsbedrag kan in beginsel worden gesteld op het netto bedrag dat het college wegens dezelfde schending van de inlichtingenverplichting heeft teruggevorderd of zou kunnen terugvorderen. Het college heeft ter zitting erkend dat in dit geval bij het opleggen van de boete ten onrechte is uitgegaan van het bruto benadelingsbedrag.

6.7.

Uit 6.4 tot en met 6.6 volgt dat de boete dient te worden vastgesteld op 50% van het netto benadelingsbedrag.

Afwijzing aanvraag van 15 januari 2015

7. De te beoordelen periode loopt hier van 15 januari 2015, de datum van de aanvraag, tot

19 januari 2016, de datum van het besluit tot afwijzing.

7.1.

In een geval als het onderhavige, waarbij periodieke bijstand is ingetrokken en betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

7.2.

Appellante heeft aangevoerd dat haar bijstand was ingetrokken en dat er geen vermogen (meer) was omdat het geld en de goederen bij de zoeking op 31 oktober 2013 in beslag zijn genomen. Ten tijde van de aanvraag verkeerde zij dan ook in bijstandbehoevende omstandigheden.

7.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante nog steeds niet inzichtelijk had gemaakt wat haar financiële positie is, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Het was ten tijde van de aanvraag dan ook nog steeds onduidelijk wanneer en op welke wijze appellante de (geld)middelen en goederen had verkregen. Het enkele feit dat het geld en de goederen in beslag zijn genomen, verschaft daarover niet de vereiste duidelijkheid.

Conclusie

8. De rechtbank heeft wat is overwogen onder 6.7 niet onderkend. Het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank het bestreden besluit tot handhaving van de boete op € 14.294,- in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft, het besluit van 2 oktober 2014 in zoverre herroepen en de boete met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht vaststellen op € 4.626,85 (50% van € 9.253,70), aangezien een boete tot dat bedrag hier passend en geboden is.

9. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 501,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.505,-

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 april 2016 gegrond en vernietigt dit besluit
voor zover het de hoogte van de boete betreft;

- herroept het besluit van 2 oktober 2014 in zoverre;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 4.626,85 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre
in de plaats treedt van het besluit van 12 april 2016;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.505,-;

- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en Y.J. Klik en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Tuit

IJ