Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
04-10-2018
Zaaknummer
15/6398 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing Wajong-uitkering omdat appellant op basis van de drie functies het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het rapport van de deskundige, tezamen met zijn nadere reactie, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komt de Raad overtuigend voor. Het standpunt van appellant dat de deskundige is voorbijgegaan aan het gediagnosticeerde CVS is door de deskundige gemotiveerd weerlegd. Het oordeel van de deskundige wordt gevolgd. Bevestiging uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6398 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
12 augustus 2015, 15/1481 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 12 september 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Vong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Voor appellant is mr. T. Deckwitz, opvolgend gemachtigde, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

De Raad heeft het onderzoek heropend en heeft dr. J.J.D. Tilanus, psychiater, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.

De deskundige heeft op 20 december 2017 rapport uitgebracht. Appellant en het Uwv hebben hun zienswijzen daarover naar voren gebracht.

De deskundige heeft hierop bij brief van 19 maart 2018 gereageerd.

Beide partijen hebben nog een nader stuk ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1989, heeft op 14 juli 2014 een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Naar aanleiding van deze aanvraag is appellant op 29 augustus 2014 op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv geweest. Deze heeft onderzoek gedaan, informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 9 oktober 2014. Geconcludeerd is dat appellant in verband met een somatoforme stoornis beperkt is in persoonlijk en sociaal functioneren en niet meer dan 8 uur per dag of 40 uur per week kan werken, welke beperkingen vóór zijn zeventiende verjaardag zijn ontstaan en sindsdien in wisselende mate aanwezig zijn geweest. De beperkingen zijn neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens onderzocht of appellant met zijn beperkingen in staat was om ten minste 75% van het wettelijk minimumloon, het maatmaninkomen, te verdienen. Daartoe heeft hij vijf functies geselecteerd die voor appellant geschikt zouden zijn. Op basis van de drie functies met de hoogste lonen heeft hij berekend dat appellant per 10 november 2014, zestien weken na indiening van de aanvraag, het wettelijk minimumloon zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft daarom bij besluit van 3 november 2014 vastgesteld dat appellant per 10 november 2014 niet in aanmerking komt voor een Wajong‑uitkering. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.2.

Naar aanleiding van dat bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd en de FML uitgebreid met beperkingen op de onderdelen autorijden, persoonlijk risico en conflicthantering. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geselecteerde functies getoetst aan de gewijzigde FML en geconcludeerd dat die functies onverminderd geschikt zijn voor appellant. Bij beslissing op bezwaar van 10 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, de ontzegging van een Wajong‑uitkering per 10 november 2014 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig geacht en heeft geoordeeld dat de medische rapporten consistent en voldoende zijn gemotiveerd. Er is naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de klachten van appellant. De rechtbank zag geen aanleiding voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. Uitgaande van de juistheid van de FML zag de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat de geduide functies voor appellant ongeschikt zijn.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig is geweest omdat geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, hoewel er chronische, somatische, onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten waren. Hij heeft verder betoogd dat ten onrechte geen gewicht is toegekend aan de GAF‑score die in een tweetal stukken is genoemd en die volgens hem een indicatie geeft van zijn functioneren. Hij acht ook de urenbeperking te gering en de geselecteerde functies niet geschikt. Appellant heeft gesteld volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn. Hij heeft zich voorts beroepen op het advies van de Gezondheidsraad ME/CVS van 19 maart 2018 (Gezondheidsraad, 2018; publicatienr. 2018/07) en verzocht om een nieuwe beoordeling van zijn beperkingen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Daarbij is gesteld dat bij onvoldoende somatisch te verklaren klachten en in een situatie waarin veel informatie van de behandelend sector aanwezig is, zoals bij appellant, een lichamelijk onderzoek geen toegevoegde waarde heeft. Het Uwv heeft verder benadrukt dat rekening is gehouden met het CVS en dat het advies van de Gezondheidsraad niet noopt tot het stellen van aanvullende beperkingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De toepasselijke wettelijke bepalingen luiden als volgt.

4.1.1.

Artikel 2:3 van de Wet Wajong:

1. Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die:

a. aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest om met arbeid meer dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen en hij in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

4.1.2.

Artikel 2:15, tweede lid, van de Wet Wajong:

Het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag dat aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan doch niet eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning, bedoeld in dit artikel, werd ingediend.

4.2.1.

Gelet op de stukken waarin behandelaars van appellant hun bezorgdheid hebben uitgesproken over diens somatisatieproblematiek heeft de Raad aanleiding gezien de deskundige om advies te vragen over de gezondheidstoestand van appellant op 10 november 2014 en de door het Uwv gestelde beperkingen.

4.2.2.

De deskundige heeft appellant onderzocht, de in het dossier aanwezige medische informatie bestudeerd en nadere medische informatie ingewonnen bij de behandelend psychiater van appellant. Op basis van zijn bevindingen heeft de deskundige in zijn rapport van 20 december 2017 gesteld dat het het meest aannemelijk is dat bij appellant op 10 november 2014 sprake was van een somatisch‑symptoomstoornis met vermoedelijk secundair hieraan angst- en stemmingsklachten. Hij heeft het Uwv in overweging gegeven het aspect 2.7 van de FML (eigen gevoelens uiten) opnieuw te bezien. Wat betreft een eventuele urenbeperking heeft hij te kennen gegeven op dat punt niet over de benodigde deskundigheid te beschikken en te volstaan met de opmerking dat rekening moet worden gehouden met absentie/verzuim vanwege spreekuurbezoek/onderzoek/behandeling. De deskundige heeft verder aannemelijk geacht dat appellant vanaf ongeveer zijn 17e/18e levensjaar last had van onverklaarde lichamelijke klachten, maar dat pas vanaf medio (juli) 2014 gesproken kan worden van een somatoforme stoornis met secundair hieraan angst- en depressieve klachten. Pas toen zijn volgens hem de klachten en problemen zodanig toegenomen, dat een verwijzing naar/interventie door de GGZ volgde.

4.2.3.

Het Uwv heeft in het rapport van de deskundige geen aanleiding gezien om de FML te wijzigen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan het uiten van eigen gevoelens bij appellant weliswaar als enigszins beperkt worden gezien, maar is de problematiek op dat punt niet zo ernstig dat, gezien de toelichting in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) bij item 2.7, een beperking moet worden aangegeven in de FML. Voor het aannemen van een urenbeperking zag de verzekeringsarts bezwaar en beroep evenmin reden, omdat appellant op 10 november 2014 geen intensieve behandeling onderging. Appellant heeft in zijn reactie op het deskundigenrapport gesteld dat ten aanzien van de punten ‘sociaal functioneren’ en ‘eigen gevoelens uiten’ beperkingen moeten worden gesteld, dat hij in het rapport de bij hem gestelde diagnose CVS mist en dat de kwestie van de urenbeperking moet worden voorgelegd aan een deskundige die zich daarover kan uitlaten.

4.2.4.

De deskundige heeft in zijn reactie van 19 maart 2018 gesteld dat hij zijn rapport handhaaft. Hij heeft opgemerkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn opmerkingen ter harte heeft genomen en dat CVS geen psychiatrische aandoening is, maar uiting kan zijn van een somatisch‑symptoomstoornis.

4.3.1.

Het rapport van de deskundige, tezamen met zijn nadere reactie, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komt de Raad overtuigend voor. Het standpunt van appellant dat de deskundige is voorbijgegaan aan het gediagnosticeerde CVS is door de deskundige gemotiveerd weerlegd. Het rapport van de deskundige voldoet aan de criteria van de Raad, zoals onder meer neergelegd in de uitspraak van 4 januari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BY8139). Het oordeel van de deskundige wordt daarom gevolgd.

4.3.2.

Wat betreft de items ‘eigen gevoelens uiten’ en ‘werktijden’ heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat de FML op deze onderdelen niet behoeft te worden aangepast. Volgens de toelichting in het CBBS bij dit eerste item is een beperking aan de orde wanneer een betrokkene zijn gevoelens op een onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze uit en anderen daardoor in verwarring worden gebracht. Dat van een dergelijke situatie sprake is blijkt niet uit de stukken. Ook wat betreft de geclaimde urenbeperking is niet gebleken dat op grond van het CBBS een beperking is geïndiceerd vanwege een stoornis in de energiehuishouding, verminderde beschikbaarheid of preventie.

Appellant heeft geen medisch rapport overgelegd waaruit een ander standpunt blijkt. Ook de verwijzing van appellant naar het advies van de Gezondheidsraad leidt niet tot een ander oordeel. Enerzijds is dit advies van algemene aard en gaat het niet in op de specifieke situatie van appellant en anderzijds hebben de verzekeringsartsen van het Uwv bij de beoordeling welke beperkingen voor appellant hebben te gelden, tot uitgangspunt genomen dat bij appellant sprake is van CVS en hebben zij daarbij passende beperkingen aangenomen. Het advies biedt daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld.

4.4.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) O.V. Vries

NW/P2B