Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
18/490 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag. Dwangsom. Anders dan de staatsecretaris ziet de Raad een relevante gelijkenis met de situatie als in de uitspraak van 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:223. DCIOD heeft bij e-mailbericht van 10 februari 2017, naar aanleiding van een door betrokkene gestelde vraag, vanaf het opgegeven e-mailadres rechtstreeks aan betrokkene nadere informatie verstrekt over zijn zaak en in deze reactie is geen voorbehoud gemaakt bij de verzending van berichten aan het door betrokkene gebruikte e-mailadres. Betrokkene is niet zo spoedig mogelijk ervan in kennis gesteld dat de elektronische weg niet openstaat voor het indienen van de ingebrekestelling als bedoeld in artikel 2:15, vierde lid, van de Awb. Voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/434
NJB 2018/1837
USZ 2018/315
TAR 2019/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 490 MAW

Datum uitspraak: 27 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 december 2017, 17/3772 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie (minister), is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de minister.

Namens betrokkene heeft [naam 1] een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2018. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Damen en mr. P.M. van der Weijden. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Sajtos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 7 december 2016 is betrokkene, militair, met ingang van 30 januari 2017

op [locatie] geplaatst. Bij besluit van 9 mei 2016 is zijn partner met ingang van 25 mei 2017 op [locatie] geplaatst.

1.2.

Op 18 januari 2017 heeft betrokkene de staatssecretaris bij e-mailbericht via het

e-mailadres van het Dienstencentrum Internationale Ondersteuning Defensie (DCIOD) medegedeeld dat hij zijn partner meeneemt naar [locatie] . Bij automatisch gegenereerd

e-mailbericht van diezelfde datum is aan betrokkene een ontvangstbevestiging verzonden, waarbij kenbaar is gemaakt dat betrokkene vragen over de afhandeling van zijn verzoek telefonisch dan wel via het digitale formulier van het DCIOD kan voorleggen. Voorts is vermeld dat in uitzonderingsgevallen ook gebruik kan worden gemaakt van het e-mailadres van het DCIOD. Bij e-mailbericht van 10 februari 2017 is betrokkene toegelicht hoe zijn aanvraag beoordeeld zal worden.

1.3.

Op 15 februari 2017 heeft de Commandant van de Marinierskazerne [naam kazerne] mondeling

aan betrokkene kenbaar gemaakt dat het samenwonen op [locatie] niet wordt goedgekeurd. Bij besluit van 10 april 2017 is het bezwaar van betrokkene tegen deze mondelinge mededeling niet-ontvankelijk verklaard. De mededeling van de commandant dat hij een negatief advies zal uitbrengen en dat het DCIOD vervolgens een besluit zal nemen, is volgens de staatssecretaris van louter informatieve aard. Er is dan ook geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dan wel met een besluit gelijk te stellen andere handeling als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Awb. Betrokkene heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.

1.4.

Bij e-mailbericht van 8 mei 2017 heeft betrokkene, zonder tussenkomst van zijn

gemachtigde, de staatssecretaris in gebreke gesteld, omdat nog niet op zijn aanvraag is beslist.

1.5.

Bij brief van 24 mei 2017 heeft betrokkene beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen

van een besluit op zijn aanvraag.

1.6.

Bij besluit van 19 juni 2017 heeft de staatssecretaris de aanvraag van betrokkene afgewezen.

1.7.

Bij besluit van 11 oktober 2017 heeft de staatssecretaris het besluit van 19 juni 2017 ingetrokken en bepaald dat het samenlevingscontract van betrokkene wordt geregistreerd en wel zodanig dat hij per 25 mei 2017 aanspraak heeft op de rechtspositionele voorzieningen behorende bij de status ‘gehuwd, gezin zonder kinderen’.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van

een besluit op de aanvraag gegrond verklaard en vastgesteld dat de staatssecretaris een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 700,-. Vaststaat dat de staatssecretaris betrokkene niet kenbaar heeft gemaakt dat de mogelijkheid van elektronische verzending van berichten is opengesteld. Nu de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, in het begin van de procedure per e-mail met betrokkene is gecommuniceerd en aan hem een e-mailadres is kenbaar gemaakt, kon betrokkene - hoewel hij op dat moment reeds werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde - er redelijkerwijs vanuit gaan dat hij de ingebrekestelling naar dat e-mailadres mocht verzenden. Indien de staatssecretaris het e-mailbericht van betrokkene van 8 mei 2017 niet als ingebrekestelling had willen aanmerken op de grond dat de elektronische weg niet was opengesteld, had de staatssecretaris dit tijdig aan betrokkene kenbaar moeten maken en hem in de gelegenheid moeten stellen een schriftelijke ingebrekestelling in te dienen. Niet in geschil is dat de staatssecretaris dit niet heeft gedaan. Met het e-mailbericht van 8 mei 2017 is in dit specifieke geval dan ook voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 4:17, derde lid, van de Awb.

3. De staatssecretaris heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het gegeven dat aan betrokkene in een geautomatiseerd bericht een e-mailadres bekend is gesteld. Defensie is sinds 2014 langs de elektronische weg bereikbaar in het kader van de pilot “Elektronisch bezwaar maken” tussen het Ministerie van Defensie/Dienstencentrum Juridische Dienstverlening en de FNV Veiligheid inzake het elektronisch verzenden van bezwaarschriften of ingebrekestellingen, indien en voor zover die ingebrekestellingen voortvloeien uit een elektronische bezwaarprocedure. Dit is slechts voorbehouden aan procesvertegenwoordigers van de vakbond en alleen gedurende de bezwaarprocedure. De staatssecretaris heeft daartoe verwezen naar het Bezwaarreglement pilot elektronisch bezwaar maken (Bezwaarreglement).

De situatie in de door de rechtbank genoemde uitspraak van 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:223, acht de staatssecretaris niet vergelijkbaar, nu in het geval van betrokkene in het geautomatiseerd bericht van 18 januari 2017 is medegedeeld dat slechts in uitzonderingsgevallen via het e-mailadres vragen mochten worden gesteld. In het geval van betrokkene is nimmer gedurende de algehele behandeling van het verzoek van betrokkene gecommuniceerd over het indienen van een ingebrekestelling of het feit dat de beslistermijn is verstreken, laat staan het betalen van een vergoeding hiervoor.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is.

4.2.

In hoger beroep is in geschil of de staatssecretaris aan betrokkene een dwangsom is verschuldigd wegens het verstrijken van de termijn om te beslissen op zijn aanvraag. De hoogte van de door de rechtbank vastgestelde dwangsom is door de staatssecretaris niet bestreden. De Raad staat dan ook voor de vraag of betrokkene een geldige ingebrekestelling heeft verzonden.

4.3.

Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat de staatssecretaris weliswaar niet kenbaar heeft gemaakt langs de elektronische weg bereikbaar te zijn voor het ontvangen van ingebrekestellingen in verband met het niet tijdig beslissen op een aanvraag, maar wel kenbaar heeft gemaakt langs de elektronische weg bereikbaar te zijn voor het ontvangen van aanvragen. Het e-mailbericht van 18 januari 2017 is door de staatssecretaris in behandeling genomen en aangemerkt als een aanvraag. De ontvangst van de aanvraag is bij e-mailbericht van dezelfde datum bevestigd met opgave van genoemd e-mailadres, dat bij wijze van uitzondering is te gebruiken voor het stellen van vragen.

4.4.

Anders dan de staatsecretaris ziet de Raad een relevante gelijkenis met de situatie zoals aan de orde in de uitspraak van de Raad genoemd onder 3. In die situatie had het bestuursorgaan evenals in het onderhavige geval niet kenbaar gemaakt dat de mogelijkheid van elektronische verzending van berichten was opengesteld, maar was in een telefoongesprek met betrokkene het officiële e-mailadres van het bestuursorgaan verstrekt. In het onderhavige geval heeft het DCIOD bij e-mailbericht van 10 februari 2017, naar aanleiding van een door betrokkene gestelde vraag, vanaf het opgegeven e-mailadres rechtstreeks aan betrokkene nadere informatie verstrekt over zijn zaak en is in deze reactie geen voorbehoud gemaakt bij de verzending van berichten aan het door betrokkene gebruikte e-mailadres.

4.5.

Verder is van belang dat de staatssecretaris in strijd met artikel 2:15, vierde lid, van de Awb, na ontvangst van de ingebrekestelling van 8 mei 2017, betrokkene niet zo spoedig mogelijk ervan in kennis heeft gesteld dat de elektronische weg niet openstaat voor het indienen van de ingebrekestelling van 8 mei 2017. Het verweerschrift van 15 juni 2017 in de beroepsprocedure, waarin is vermeld dat niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste zoals opgenomen in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, is, anders dan de staatssecretaris heeft betoogd, niet gelijk te stellen met een dergelijke mededeling. Deze mededeling dient op grond van artikel 2:15, vierde lid, van de Awb niet alleen zo spoedig mogelijk, maar ook aan de afzender te worden gedaan.

4.6.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat betrokkene redelijkerwijs ervan uit mocht gaan dat de ingebrekestelling ook naar het opgegeven e-mailadres mocht worden gestuurd (vergelijk de uitspraak van 11 september 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX7754, en de uitspraak van 6 november 2013, ECLI:RVS:2013:1810). Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat met het e-mailbericht van 8 mei 2017 in dit specifieke geval aan het schriftelijkheidsvereiste zoals opgenomen in artikel 4:17, derde lid, van de Awb geacht moet worden te zijn voldaan.

4.7.

Wat de staatssecretaris heeft aangevoerd over het Bezwaarregelement doet aan het voorgaande niet af. Integendeel, het openstellen van de elektronische weg voor ingebrekestellingen enkel voor specifieke groepen ervaren procesvertegenwoordigers, draagt niet bij aan de duidelijkheid over de te kiezen vorm van de ingebrekestelling bij rechtszoekenden, zoals betrokkene, die geen ervaring hebben met het voeren van bezwaarprocedures.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.002,- wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 1.002,-;

- bepaalt dat van de staatssecretaris een griffierecht van € 508,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) J. Smolders

ew