Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
16/2708 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2084, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellante niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. In de FML is in voldoende mate rekening is gehouden met de darmklachten bij het vaststellen van de beperkingen. Appellante kan met haar beperkingen de geselecteerde functies uitoefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2708 WIA

Datum uitspraak: 27 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 maart 2016, 15/6596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft F.J. Bal hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Namens appellante is Bal verschenen. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster voor 28,70 uur per week. Zij heeft zich op 22 mei 2013 ziek gemeld wegens buikklachten. Op 1 april 2015 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Zij is op 26 mei 2015 op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante ten gevolge van restverschijnselen na een doorgemaakte stoornis aan de darmen met bijkomende psychische verwerkingsproblematiek beperkt is op het gebied van statische houdingen, dynamische handelingen en werkomstandigheden en stresserende werkomstandigheden met veel deadlines en productiepieken moet vermijden. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 mei 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 0% berekend. Bij besluit van 18 juni 2015, zoals gecorrigeerd bij besluit van 22 juni 2015, heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 20 mei 2015 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering, omdat appellante met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschiktheid was. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.2.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd, de hoorzitting bijgewoond en contact opgenomen met de huisarts van appellante. Op basis van alle beschikbare gegevens en zijn eigen bevindingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de belastbaarheid zoals die was weergegeven in de FML uitgebreid met een nadere toelichting bij het aspect 2.12.6, inhoudende dat appellante het werk te allen tijde moet kunnen onderbreken voor toiletgang, waarvan de frequentie kan variëren van nul tot vier keer per uur en op onrustige dagen vijftien tot twintig keer

per etmaal. Op basis van deze gewijzigde FML van 10 september 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de aanvankelijk geselecteerde functies opnieuw bezien en deze nog steeds passend geacht voor appellante. Daarbij is opgemerkt dat in binnenwerkzaamheden in een bedrijfshal op de Nederlandse arbeidsmarkt het aanwezig zijn van een toilet in de nabije omgeving van de werkplek redelijkerwijs verondersteld mag worden en dat het werk in de geselecteerde functies zo nodig kan worden onderbroken ten behoeve van toiletbezoek in de buurt van de werkplek, zonder dat dit leidt tot schade aan

de productie of aan de productiemiddelen of tot een belemmering van door anderen uit te voeren taken. Op basis van de functies productiemedewerker textiel, geen kleding

(SBC-code 272043), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (SBC-code 271093) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat bij appellante op 20 mei 2015 geen sprake was van loonverlies. Het Uwv heeft op basis van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het bezwaar van appellante bij beslissing op bezwaar van 14 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De medische informatie die zich in het dossier bevindt heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 10 september 2015. Appellante heeft naar

het oordeel van de rechtbank haar stelling dat zij meer beperkt is, niet onderbouwd met medische informatie. De rechtbank was er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellante in de geduide functies niet wordt overschreden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij, met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, veronderstelt dat op de Nederlandse arbeidsmarkt bij binnenwerkzaamheden toiletten in de nabijheid van werkplekken aanwezig zijn. De rechtbank zag daarom geen strijd met artikel 9, aanhef en onder c, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). De rechtbank was verder van oordeel dat het frequente toiletbezoek van appellante redelijkerwijs nog van een werkgever is te vergen, zodat evenmin sprake is van strijd met artikel 9,

aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit. De rechtbank heeft hiervoor steun gevonden in uitspraken van de Raad over frequent ziekteverzuim (bijvoorbeeld de uitspraak van

25 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2597). In onderhavige situatie heeft de rechtbank van belang geacht dat in de geduide functies het werk kan worden neergelegd zonder dat dit leidt tot schade aan de productie of de productiemiddelen of tot een belemmering van door anderen uit te voeren taken.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep – kort samengevat – haar stelling herhaald dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen als gevolg van haar darmklachten, trombose en oorklachten. Het Uwv heeft naar de mening van appellante onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of zij feitelijk in staat is de in de FML opgenomen handelingen te verrichten zonder dat dit acute diarree veroorzaakt. De FML spoort volgens appellante ook niet met de opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens de hoorzitting dat de klachten van appellante sterk invaliderend zijn. Appellante heeft ter onderbouwing van haar gronden gewezen op de door bedrijfsarts

B. Boerema op 4 november 2014 opgestelde FML en de door haar in beroep ingezonden brief van 8 december 2015 van internist H. Droogendijk, waarin deze aan appellante heeft meegedeeld dat zij heeft geconstateerd dat appellante last heeft van chronische diarree. Appellante meent, onder verwijzing naar artikel 9, aanhef en onder c en/of onder e, van het Schattingsbesluit, dat van een werkgever niet gevergd kan worden om iemand aan te nemen die zeer frequent naar het toilet moet, welk toilet binnen enkele tellen bereikt dient te worden. Bij het selecteren van de functies is ten onrechte, zonder enig feitelijk onderzoek, verondersteld dat er een toilet in de onmiddellijke nabijheid van de werkzaamheden beschikbaar is.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar rechtsoverweging 4 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellante met ingang van 20 mei 2015 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. In dat verband speelt met name de vraag of in de FML van 10 september 2015 in voldoende mate rekening is gehouden met de darmklachten bij het vaststellen van de beperkingen van appellante en of appellante met haar beperkingen de geselecteerde functies met ingang van 20 mei 2015 kon uitoefenen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest en de daarbij gegeven overwegingen worden onderschreven. Dat niet feitelijk alle afzonderlijke fysieke aspecten van de FML bij appellante zijn getest betekent niet dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest.

4.4.

In de FML van 10 september 2015 zijn aanzienlijke beperkingen opgenomen. In tegenstelling tot wat appellante heeft aangevoerd, is daarin rekening gehouden met een geringe buikbelasting, door het vaststellen van beperkingen in tillen, dragen, duwen, trekken, gebogen werken, langer staan, lopen, traplopen, klimmen en klauteren. De in beroep overgelegde informatie van de behandelend internist bevat geen nieuwe gegevens. Ook in hoger beroep heeft appellante niet toegelicht op grond van welke medische informatie geconcludeerd moet worden dat onvoldoende rekening is gehouden met haar darmklachten. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens de hoorzitting zou hebben opgemerkt dat de klachten van appellante invaliderend werken is daarvoor onvoldoende, omdat daarmee niet meer is gezegd dan dat appellante ten gevolge van die klachten fors beperkt is in haar arbeidsmogelijkheden. Appellante heeft evenmin met medische stukken onderbouwd dat zij op de datum in geding zodanige oor- en tromboseklachten had dat daarvoor beperkingen in

de FML gesteld hadden moeten worden. Gezien het rapport van de verzekeringsarts van

26 mei 2015 is weliswaar aannemelijk dat er geen rekening mee is gehouden dat appellante in het verleden driemaal een ooroperatie en geen oogoperaties heeft ondergaan, maar daar staat tegenover dat appellante bij de verzekeringsartsen geen melding heeft gemaakt van oorproblemen. Wat betreft de trombose blijkt uit de stukken dat de verzekeringsartsen ermee bekend waren dat appellante in 2013 en 2014 last heeft gehad van een trombosebeen en dat

zij sindsdien een elastieken kous draagt. Al met al kan niet worden geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante, met de beperkingen zoals opgenomen in de FML van

10 september 2015, is onderschat. De omstandigheid dat de bedrijfsarts appellante in de door hem op 4 november 2014 opgestelde FML op bepaalde aspecten meer beperkt heeft geacht, geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Ingevolge vaste rechtspraak, waaronder de uitspraken van de Raad van 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039 en 31 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2581, is de verzekeringsarts bij het in kaart brengen van de beperkingen in de FML niet gehouden tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan een door de bedrijfsarts opgestelde FML. Ook heeft de Raad in deze uitspraken overwogen dat er niet aan kan worden voorbijgegaan dat een door de bedrijfsarts opgestelde FML bedoeld is om de re-integratiemogelijkheden van de betrokkene in kaart te brengen en dus een ander doel heeft dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde medische beperkingen, moest zij in staat worden geacht per 20 mei 2015 de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voor haar geselecteerde, fysiek lichte functies. Zoals de Raad eerder

heeft overwogen (uitspraken van 28 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6329 en

22 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT1044) is het zonder meer aannemelijk dat een voorziening als een toilet in de nabijheid van de werkplek aanwezig is en dat deze anders als voorziening kan worden aangebracht. Met betrekking tot het beroep van appellante op

artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit wordt overwogen dat de rechtbank hierop gemotiveerd is ingegaan. Het oordeel hierover en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak worden onderschreven.

4.6.

Gelet op wat onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2018.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) Y. Azirar

LO