Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
16/4934 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Conclusie is dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant niet beperkt is in zijn concentratievermogen en in het verdelen en vasthouden van zijn aandacht. Uit het rapport van psychiater Notten heeft het Uwv terecht de conclusie getrokken dat appellant geringe psychische beperkingen heeft. Met die beperkingen heeft het Uwv rekening gehouden bij het selecteren van functies voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4934 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant

16 juni 2016, 16/441 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 26 september 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Z.M. Alaca, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2018. De zaak is gevoegd behandeld met zaak 16/6729 WIA. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Alaca. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. In zaak 16/6729 WIA wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 februari 2010 in aanmerking gebracht voor een

IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 28 november 2012 heeft het Uwv alsnog vastgesteld dat appellant met ingang van 1 februari 2010 niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. De Raad heeft bij

uitspraak van 22 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1295) (onder meer) het besluit van

28 november 2012 herroepen.

1.2.

Bij besluit van 13 augustus 2015 heeft het Uwv vervolgens vastgesteld dat appellant met ingang van 29 januari 2013 niet langer in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Bij besluit van 29 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van

13 augustus 2015 gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Niet is gebleken dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistenties bevat of dat dit niet concludent is. Het door appellant ingenomen standpunt dat het Uwv zijn concentratievermogen heeft overschat heeft de rechtbank niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht in de in het dossier beschikbare informatie van psychiater dr. P.J.H. Notten (Notten) geen aanknopingspunten aanwezig geacht om een beperkte concentratie aan te nemen.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Met verwijzing

naar de rapporten van Notten van 29 augustus 2012 en van psychiater Y. Güzelcan (Güzelcan) van 19 januari 2012 stelt appellant zich op het standpunt dat deze rapporten aanleiding geven om beperkingen aan te nemen waar het betreft het concentreren en het vasthouden en verdelen van de aandacht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het Uwv terecht geen beperkingen heeft aangenomen waar het betreft het concentreren en het vasthouden en verdelen van de aandacht.

4.2.

Aan het bestreden besluit ligt onder meer ten grondslag het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 10 oktober 2012. Zij heeft dossiergegevens bestudeerd, waaronder het rapport van Notten van 29 augustus 2012. Zij heeft onderzoek ingesteld naar de medische situatie van appellant, waaronder een psychisch onderzoek. Zij heeft vastgesteld dat er vanaf 1 februari 2010 op basis van enkele kenmerken van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) sprake is van geringe beperkingen op psychisch vlak. In verband daarmee heeft zij beperkingen aangenomen op het persoonlijk en sociaal functioneren. Deze beperkingen betreffen het aangewezen zijn op werk zonder verhoogd persoonlijk risico en het omgaan met conflicten. In een rapport van 21 juli 2015 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant, zoals die op 10 oktober 2012 is vastgesteld, voor de situatie vanaf 1 februari 2010 ook nog van kracht is op 29 januari 2013. Zij heeft daarbij verwezen naar het rapport van psychiater F. Kaya van 10 december 2012. Uit dit rapport blijkt dat er op dat moment sprake is van enige restsymptomatologie, met name enige posttraumatisch gerelateerde klachten.

4.3.

Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het rapport van Notten van 29 augustus 2012 inconsistenties bevat en het Uwv om die reden niet op dit rapport kon afgaan. De overwegingen van Notten dat het gedrag van appellant imponeert als de gevolgen van PTSS, dat er aanwijzingen lijken te zijn voor een “geagiteerde” depressie en er duidelijk sprake is van lijdensdruk en angst, zijn niet in strijd met zijn eindconclusie. Waar het betreft de depressieve stoornis vindt hij de symptoomvaliditeit laag. Kenmerken van een angststoornis heeft Notten niet waargenomen. De door appellant ondervonden beperkingen in het huidige persoonlijk en sociaal functioneren schat hij in als gering. Zoals overwogen onder 4.2 hebben de verzekeringsartsen op basis van dit rapport geconcludeerd dat er beperkingen zijn op het persoonlijk en sociaal functioneren. Met het Uwv is ook de Raad van oordeel dat het rapport van Notten geen aanleiding geeft om beperkingen aan te nemen voor de cognitieve functies van appellant (concentratie en vasthouden en verdelen van de aandacht). Notten heeft vastgesteld dat appellant zich goed kan concentreren en dat zijn aandacht goed is te trekken en vast te houden.

4.4.

Het in hoger beroep overgelegde rapport van Güzelcan van 19 januari 2012 geeft evenmin aanleiding om aan te nemen dat het Uwv de beperkingen

van appellant niet juist heeft vastgesteld. Güzelcan heeft vastgesteld dat er op 1 februari 2010 bij appellant sprake was van een depressieve stoornis en PTSS. In reactie daarop heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat door Notten en door de verzekeringsarts expliciet is ingegaan op de klachten van appellant in verband met de depressieve stoornis en de PTSS. Hun waarnemingen en bevindingen dateren van een latere datum dan het rapport van Güzelcan en betreffen de nu aan de orde zijnde datum in geding (29 januari 2013).

4.5.

Op grond van wat is overwogen onder 4.2 tot en met 4.4 bestaat geen grond om aan te nemen dat het Uwv de beperkingen van appellant waar het betreft het concentreren en het vasthouden en verdelen van de aandacht niet juist heeft vastgesteld. Daarvan uitgaande bestaat er geen grond appellant niet geschikt te achten voor de geselecteerde functies. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Betekenis van deze uitspraak

Dit betekent dat de Raad tot de conclusie komt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant niet beperkt is in zijn concentratievermogen en in het verdelen en vasthouden van zijn aandacht. Uit het rapport van psychiater Notten heeft het Uwv terecht de conclusie getrokken dat appellant geringe psychische beperkingen heeft. Met die beperkingen heeft het Uwv rekening gehouden bij het selecteren van functies voor appellant.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en H.C.P. Venema en

E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) H. Achtot

LO