Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2920

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
18-3169 PW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad heeft al einduitspraak gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/3169 PW-VV

Datum uitspraak: 25 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2016, 16/2100 (aangevallen uitspraak). Op 6 juni 2018 heeft mr. Moghni tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

OVERWEGINGEN

1. Verzoeker heeft sinds 1 juli 2012 - in aanvulling op zijn ouderdomspensioen - ingevolge de Algemene Ouderdomswet een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Bij besluit van 30 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 februari 2016 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling over de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 november 2014 ingetrokken en de over die periode ten onrechte betaalde AIO-aanvulling tot een bedrag van € 7.819,08 van verzoeker teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad heeft bij tussenuitspraak van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4261, geoordeeld dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft wegens strijd met

artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien niet uitgesloten werd geacht dat de Svb het gebrek in het bestreden besluit kan herstellen door het verrichten van een nader onderzoek en aldus de feitelijke grondslag van het bestreden besluit nader kan motiveren, bestond aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de Svb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

3.1.

Vervolgens heeft mr. Moghni de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de Svb aan verzoeker voorschotten zal toekennen nu in redelijkheid niet meer kan worden gevergd het eindoordeel van de hogere beroepsprocedure af te wachten.

3.2.

Bij brief van 5 juli 2018 heeft de Svb te kennen gegeven dat het doen van nader onderzoek in Marokko niet mogelijk is gebleken. Gelet hierop heeft de Raad op 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2328, op grond van wat in de onder 1.3 genoemde tussenuitspraak is overwogen, een einduitspraak gedaan.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met

artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Op grond van artikel 8:81 van de Awb, voor zover hier van belang, is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit). Nu de Raad op 24 juli 2018 uitspraak heeft gedaan, is niet (langer) aan dit vereiste voldaan. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.3.

Het verzoek is gelet op 4.1 en 4.2 kennelijk niet-ontvankelijk, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

IJ