Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
16/2253 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In buitenland verkregen bewijs toegestaan in bestuursrechtelijke procedure. Onderzoek naar vermogen. Nederlands recht beslissend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/432
NJB 2018/1899
JWWB 2018/257
USZ 2018/321 met annotatie van M.W. Venderbos
RSV 2018/221
JB 2018/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2253 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 februari 2016, 15/5605 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 1 oktober 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Namens appellanten is mr. Kaya verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen bijstand, laatstelijk van de Svb op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

De Svb heeft de AIO-aanvulling van appellanten met ingang van 23 juli 2013 beëindigd omdat zij met ingang van die datum langer dan de toegestane duur buiten Nederland verbleven. Op 19 december 2013 hebben appellanten telefonisch contact opgenomen met de Svb en meegedeeld dat zij op 17 december 2013 zijn teruggekomen uit Turkije en geen

AIO-aanvulling meer wensen te ontvangen. Naar aanleiding van deze mededeling is de Svb een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara, Turkije (Bureau Attaché), in opdracht van de Svb en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF), onderzoek laten verrichten naar bezit van onroerende zaken van appellanten in Turkije. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage vermogensonderzoek van 12 juni 2014. Uit die rapportage komt het volgende naar voren. Bij de afdeling onroerende zaakbelasting van de gemeente [gemeente] (afdeling OZB) komt op naam van appellant een registratie onroerende zaakbelasting voor van een woning die in november 2013 is verkocht. Een lokale makelaar heeft de waarde van de woning op 4 juni 2014 getaxeerd op € 31.802,-.

1.3.

Bij brief van 7 juli 2014 heeft de Svb appellanten geconfronteerd met de onderzoeksbevindingen en hen in de gelegenheid gesteld om nader genoemde gegevens over te leggen waaruit blijkt dat het vermogen van appellanten op 1 september 2007 lager was dan het vrij te laten vermogen van € 11.590,-.

1.4.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 2 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 juli 2015 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten met ingang van 1 september 2007 ingetrokken en de over de periode van september 2007 tot en met juli 2013 gemaakte kosten van de AIO-aanvulling tot een bedrag van € 19.183,43 van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten de beschikking hadden over een woning in Turkije waarvan zij geen melding hebben gemaakt. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 september 2007 tot 23 juli 2013.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode als eigenaar kon beschikken over een woning in Turkije. Voorts staat vast dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door het bezit van de woning in Turkije niet te melden aan de Svb.

4.3.

Appellanten stellen zich op het standpunt dat de Svb zich bij de besluitvorming niet heeft mogen baseren op het rapport van het Bureau Attaché met de daarin vermelde gegevens van de woning, omdat deze gegevens, bij gebrek aan toestemming voor het verrichten van het onderzoek door de Turkse autoriteiten, onrechtmatig zijn verkregen. Uit artikel 20 van de Turkse Grondwet en de artikelen 135 tot en met 137 van het Turkse Wetboek van Strafrecht volgt namelijk dat Nederland niet gerechtigd is een onderzoek in Turkije uit te voeren zonder dat de Turkse autoriteiten hiertoe expliciet toestemming hebben verleend. Ook is sprake van strijd met de Turkse wetgeving ter bescherming van de privacy. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.1.

Bij de vraag of bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, bij besluitvorming of de toetsing daarvan in een bestuursrechtelijke procedure rechtmatig mag worden gebruikt, is slechts van belang of dat bewijs naar Nederlands recht, daaronder begrepen het in Nederland geldende internationale en Europese recht, rechtmatig is verkregen. Niet bepalend is of het bewijs naar het recht van de plaats waar het is vergaard, waarop het betrekking heeft of van waaruit het afkomstig is, rechtmatig is verkregen. Voor dit oordeel wordt steun gevonden in de arresten van de Hoge Raad van 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1335, 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, en 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629.

4.3.2.

Geen regel van Nederlands recht, daaronder begrepen verdragenrecht, schrijft voor dat bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, naar Turks recht rechtmatig moet zijn verkregen. Op grond van het Nederlandse recht dient wel, indien daartoe gronden worden opgeworpen, de toets te worden aangelegd of bijvoorbeeld het gebruik van dat bewijs in strijd komt met regels van een eerlijk proces zoals beschermd door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of privéleven, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM of anderszins indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht.

4.3.3.

Er is hier op verzoek van een medewerker van Bureau Attaché door derden informatie gegeven. Niet valt in te zien hoe appellanten daardoor een eerlijk proces wordt ontnomen, nu zij de mogelijkheid hebben dit bewijs met tegenbewijs te bestrijden. Ook anderszins kan niet worden gezegd dat gebruik van bewijs, dat op verzoek van en aan personen, werkzaam bij of voor de Svb, is verkregen zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De enkele omstandigheid dat de afgifte van dat bewijs naar Turks recht onrechtmatig zou zijn, wat daarvan ook zij, is daartoe onvoldoende.

4.3.4.

Voor zover in de gronden besloten ligt dat (organen van) de Nederlandse staat in strijd handel(t)(en) met regels van het volkenrecht door zonder toestemming van de Turkse autoriteiten of in strijd met het Turks recht onderzoek te doen naar inkomen en vermogen van appellant, kan dat appellant niet baten, omdat die regels van volkenrecht niet de belangen van appellant beogen te beschermen, maar die van de Turkse staat. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629.

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat de Svb met het onderzoek door het Bureau Attaché een onaanvaardbare inbreuk op hun privéleven heeft gemaakt en dat om die reden sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM.

4.4.1.

Artikel 8 van het EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”

4.4.2.

Op grond van artikel 53a, in verbinding met de artikelen 47a, tweede lid, en 47b van de WWB is de Svb bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening, dan wel de voortzetting van de bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231), kan deze algemene onderzoeksbevoegdheid steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden en is daartoe dus geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Gelet hierop valt niet in te zien dat de Svb niet op enig moment een onderzoek mocht instellen naar het vermogen van appellanten.

4.4.3.

Vaststaat dat de gehanteerde onderzoeksmiddelen een inbreuk vormden op het recht op respect voor het privéleven van appellanten. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3307) biedt de in artikel 53a vermelde onderzoeksbevoegdheid hiervoor een wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM.

4.4.4.

De inbreuk die het Bureau Attaché op het privéleven van appellanten heeft gemaakt door de gehanteerde onderzoeksmiddelen, was niet onevenredig zwaar in verhouding tot het met het onderzoek beoogde doel van het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland. Het raadplegen van de gegevens bij de afdeling OZB in Turkije en het inschakelen van een makelaar om de woning te taxeren, vormden onder de gegeven omstandigheden een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellanten. Het onderzoek is slechts gedaan in openbare bronnen en in de openbare ruimte en was uitsluitend gericht op het al dan niet beschikken over onroerende zaken en de eventuele waarde daarvan.

4.4.5.

Evenmin kan worden geoordeeld dat op enig moment een minder ingrijpend onderzoeksmiddel ter beschikking stond om de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand te onderzoeken. Appellanten hadden het bezit van de woning immers niet opgegeven zodat de Svb een gerechtvaardigd belang had om niet direct aan appellanten zelf informatie te vragen over de woning, maar eerst zelf onderzoek te doen.

4.5.

Uit 4.4.4 en 4.4.5 volgt dat aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan, zodat de inbreuk op het respect voor het privéleven van appellanten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, in dit geval gerechtvaardigd was. Anders dan appellanten stellen, mogen de onderzoeksresultaten van de rapportage vermogensonderzoek van 12 juni 2014 van het Bureau Attaché bij de beoordeling worden betrokken.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.M. Pasmans

ew