Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2911

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
15/4971 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In buitenland verkregen bewijs toegestaan in bestuursrechtelijke procedure. Onderzoek naar vermogen. Nederlands recht beslissend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1898
USZ 2018/304 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
JWWB 2018/254
RSV 2018/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4971 WWB

Datum uitspraak: 1 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 mei 2015, 14/4144 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. N. Köse-Albayrak, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 25 augustus 2015 heeft mr. E. Köse, advocaat en kantoorgenoot van

mr. Köse-Albayrak, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en aanvullende gronden ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft vervolgens het dagelijks bestuur op 14 december 2015 de gelegenheid geboden zich over een aantal onderwerpen nader uit te laten. Het dagelijks bestuur heeft hiervan gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2016. Namens appellanten is mr. Köse verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. B.E.C. Bertens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 1 augustus 2011 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Wet werk en bijstand. In de perioden van 11 november 2002 tot 1 november 2005 en van 17 september 2009 tot 1 augustus 2011 hebben appellanten een uitkering ontvangen op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) naar de grondslag voor gehuwden.

1.2.

In het kader van het project “Vermogen in het buitenland” is onderzoek verricht naar eventueel vermogen van appellanten in Turkije. Op 22 februari 2013 is hiertoe door het dagelijks bestuur een opdracht verstrekt aan Bureau Buitenland. Uit dit onderzoek, waarvan de resultaten zijn ontvangen op 22 april 2013, is gebleken dat appellant in het Kadaster in Turkije als eigenaar staat geregistreerd van diverse onroerende zaken, waaronder een aantal hazelnootplantages en twee woningen, die hij in de periode van 24 december 1992 tot en met 19 maart 2009 heeft verkregen. Bij besluit van 25 september 2013 heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand van appellanten opgeschort met ingang van die datum en appellanten de gelegenheid gegeven om op 23 oktober 2013 en vervolgens op 6 november 2013 diverse gegevens over te leggen. Deze gegevens hadden onder meer betrekking op de aanschaf en waarde van de (mede) op naam van appellant staande onroerende zaken en de daarmee verband houdende kosten en opbrengsten hieruit. De waarde van de onroerende zaken is door een lokale taxateur in Turkije in totaal getaxeerd op (omgerekend) € 95.801,64.

1.3.

De resultaten van het onderzoek waren voor het dagelijks bestuur aanleiding om bij besluit van 28 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 mei 2014

(bestreden besluit), de bijstand van appellanten met ingang van 1 augustus 2011 en de

IOAW-uitkering over de perioden van 11 november 2002 tot 1 november 2005 en van

17 september 2009 tot 1 augustus 2011 in te trekken. Tevens zijn de kosten van bijstand en de ten onrechte ontvangen IOAW-uitkering over deze perioden van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 114.875,05. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de (mede) op naam van appellant geregistreerde onroerende zaken. Gelet op de getaxeerde waarde van de (mede) op naam van appellant geregistreerde onroerende zaken en de voor appellanten geldende vermogensgrens hebben appellanten geen recht op bijstand vanaf

1 augustus 2011. Gelet op het ontbreken van gegevens met betrekking tot de exploitatie van de (mede) op naam van appellant geregistreerde hazelnootplantages is het recht op IOAW-uitkering van appellanten gedurende de perioden van 11 november 2002 tot 1 november 2005 en van 17 september 2009 tot 1 augustus 2011 niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben onder meer aangevoerd dat van een rechtmatig onderzoek in Turkije slechts sprake kan zijn indien het onderzoek in het kader van een rechtshulpverzoek aan Turkije wordt uitgevoerd. Subsidiair hebben appellanten aangevoerd dat indien de Raad oordeelt dat een dergelijk rechtshulpverzoek in het kader van een bestuursrechtelijke procedure niet aan de orde is, slechts onderzoek mogelijk is op basis van een bilateraal verdrag met Turkije dan wel met expliciete toestemming van de Turkse autoriteiten. Aangezien geen verdrag met Turkije bestaat en geen toestemming van de Turkse autoriteiten is verkregen voor een onderzoek in Turkije, leidt dit - volgens appellanten - tot de conclusie dat het onderzoek als onrechtmatig dient te worden aangemerkt. Het onderzoek is in strijd met de Turkse wetgeving, waarbij appellanten hebben verwezen naar artikel 20 van de Turkse Grondwet en de artikelen 135, 136 en 137 van het Turks Wetboek van Strafrecht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben ter zitting uitdrukkelijk het geschil beperkt tot de vraag of in het licht van de onder 3 genoemde gronden de resultaten van het onderzoek in Turkije rechtmatig zijn verkregen en aan de besluitvorming ten grondslag mogen worden gelegd.

4.2.

Het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Trb. 1965, 10, waarbij Turkije en Nederland partij zijn, heeft blijkens artikel 1 daarvan alleen betrekking op rechtshulp in procedures die betrekking hebben op strafbare feiten. Daarvan is hier geen sprake. Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid, Trb. 1966, 155, en het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid, Trb. 1968, 23, bevatten ook niet de verplichting om een onderzoek naar rechtmatigheid van bijstandsverlening over te laten aan de Turkse autoriteiten of dat onderzoek slechts te verrichten met toestemming van de Turkse autoriteiten. Deze internationale overeenkomsten zien volgens artikel 2 van het laatstgenoemde verdrag niet op de uitvoering van bijstandswetgeving.

4.3.

Bij de vraag of bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, bij besluitvorming of de toetsing daarvan in een bestuursrechtelijke procedure rechtmatig mag worden gebruikt, is slechts van belang of dat bewijs naar Nederlands recht, daaronder begrepen het in Nederland geldende internationale en Europese recht, rechtmatig is verkregen. Niet bepalend is of het bewijs naar het recht van de plaats waar het is vergaard, waarop het betrekking heeft of van waaruit het afkomstig is, rechtmatig is verkregen. Voor dit oordeel wordt steun gevonden in de arresten van de Hoge Raad van 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1335, 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, en 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629.

4.4.

Geen regel van Nederlands recht, daaronder begrepen verdragenrecht, schrijft voor dat bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, naar Turks recht rechtmatig moet zijn verkregen. Op grond van het Nederlandse recht dient wel, indien daartoe gronden worden opgeworpen, de toets te worden aangelegd of bijvoorbeeld het gebruik van dat bewijs in strijd komt met regels van een eerlijk proces, zoals beschermd door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), of privéleven, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM, of anderszins indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht.

4.5.

Er is hier op verzoek van het dagelijks bestuur door derden informatie gegeven. Niet valt in te zien hoe appellanten daardoor een eerlijk proces wordt ontnomen, nu zij de mogelijkheid hebben dit bewijs met tegenbewijs te bestrijden. Ook anderszins kan niet worden gezegd dat gebruik van bewijs, dat op verzoek van het dagelijks bestuur door tussenkomst van Bureau Buitenland is verkregen, zozeer indruist tegen wat van een redelijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De enkele omstandigheid dat de afgifte van dat bewijs naar Turks recht onrechtmatig zou zijn, wat daarvan zij, is daartoe onvoldoende.

4.6.

Voor zover in de gronden besloten ligt dat de Nederlandse Staat in strijd handelt met regels van het volkenrecht door zonder toestemming van de Turkse autoriteiten of in strijd met het Turks recht onderzoek te laten doen naar inkomen en vermogen van appellant, kan dat appellanten niet baten, omdat die regels van volkenrecht niet de belangen van appellanten beogen te beschermen, maar die van de Turkse Staat. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629.

4.7.

Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.M.M. van Dalen

ew