Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
16/3759 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:2921, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Voldoende medische grondslag. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3759 WIA

Datum uitspraak: 22 augustus 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

22 april 2016, 15/3570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Šimičević, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Šimičević. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als filiaalmedewerkster gedurende 33,24 uur per week. Zij heeft zich op 1 oktober 2012 ziek gemeld met kortademigheid, benauwdheid, concentratieklachten en klachten door slecht slapen.

1.2.

Op 1 juli 2014 heeft appellante het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 13 augustus 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van

29 september 2014 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zij is volgens het Uwv niet meer geschikt voor haar werk als filiaalmedewerkster, maar wel voor andere functies. Aan dit besluit liggen een rapport van een arts, dat akkoord is bevonden door een verzekeringsarts, van 5 augustus 2014, een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 augustus 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 12 augustus 2014 ten grondslag.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 augustus 2014. Bij besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing gehandhaafd dat appellante per 29 september 2014 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 februari 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 maart 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden gevonden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) rekening heeft gehouden met de medicatie die appellante gebruikt, de behandelingen die zij nog ondergaat en de klachten die zij ervaart. Tevens is rekening gehouden met de verkregen informatie van 29 januari 2015 van de longarts. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante geen informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op haar gezondheidssituatie en de beperkingen die hieruit voortvloeien voor het verrichten van arbeid op 29 september 2014. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd voor zover zij heeft gesteld dat er onvoldoende rekening mee is gehouden dat zij voor de Ziektewet (ZW) volledig arbeidsongeschikt is beschouwd. In dit kader heeft de rechtbank erop gewezen dat uit het dossier valt af te leiden dat de bedrijfsarts beperkingen voor appellante heeft vastgesteld en dat er geen passende functie bij haar werkgever Lidl aanwezig is, om welke reden spoor 2 is ingezet om elders passend werk voor appellante te vinden. Gelet daarop is, volgens de rechtbank, geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de door de bedrijfsarts gestelde beperkingen en dat de verzekeringsarts ten onrechte minder beperkingen heeft vastgesteld, heeft de rechtbank opgemerkt dat het Uwv er ter zitting op heeft gewezen dat nadien meerdere malen een FML is opgesteld. De rechtbank heeft tevens opgemerkt dat de verzekeringsarts appellante negen maanden na het onderzoek van de bedrijfsarts heeft onderzocht en rekening heeft gehouden met de verkregen specialistische informatie. Hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd legt naar het oordeel van de rechtbank tegenover het gemotiveerde medische oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gewicht in de schaal om op grond daarvan verdergaande beperkingen aan te nemen dan neergelegd in de FML. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de geduide functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt. De rechtbank heeft in hetgeen appellante ter zitting heeft gesteld omtrent de aanwezigheid van stof bij de geduide functies geen aanleiding gezien het onderzoek van de arbeidsdeskundige onjuist te achten, nu de arbeidsdeskundige bij de functieselectie rekening heeft gehouden met de beperking van appellante ten aanzien van stof en appellante haar standpunt niet met nadere gegevens heeft onderbouwd. Vergelijking van het inkomen dat appellante in de voorgehouden functies zou kunnen verrichten met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdiencapaciteit te zien van 2,97%. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid dus terecht heeft bepaald op minder dan 35%.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat het naar haar mening onbestaanbaar is dat binnen enerzijds een ZW-kader en anderzijds een WIA-kader op een zelfde feitenbasis rechtens diametraal tegengestelde conclusies getrokken kunnen en mogen worden, zowel medisch, als qua functies. Appellante heeft tevens gesteld dat de door de bedrijfsarts op

17 september 2013 vastgestelde beperkingen (ietwat) verder gaan dan die van de verzekeringsarts. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij als gevolg van haar longklachten verdergaand beperkt is dan in de FML is opgenomen, en dat zij ook wat betreft samenwerken (item 2.9) beperkt is. Als gevolg daarvan heeft de arbeidsdeskundige een verkeerde vertaalslag gemaakt. In dit kader heeft appellante betoogd dat de geduide functie van wikkelaar niet geschikt is voor haar.

3.2.

Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 september 2016, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 3 van de aangevallen uitspraak.

4.2.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen reden is het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt in overwegende mate een herhaling van wat zij reeds eerder heeft aangevoerd. Zo heeft appellante ter zitting van de Raad gesteld dat de FML niet juist is, en dat zij meer beperkingen heeft als gevolg van haar longaandoening en wat betreft samenwerken (item 2.9). Uit het in 1.2 genoemde rapport van 5 augustus 2014 blijkt dat de arts van het Uwv appellante in de FML van 5 augustus 2014, gelet op haar longaandoening, aangewezen heeft geacht op fysiek niet te zwaar werk en op een werkomgeving zonder prikkelende stof/rook/gassen/dampen en tevens heeft aangetekend dat appellante allergisch is voor huisstofmijt. De arts heeft appellante evenwel niet beperkt geacht op item 2.9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich daar in het rapport van 6 februari 2015 mee kunnen verenigen. Appellante heeft in hoger beroep geen objectief medische gegevens ingebracht die kunnen dienen ter onderbouwing van haar stelling dat haar beperkingen zijn onderschat door het Uwv. De verwijzing van appellante naar een FML van 17 september 2013 van de bedrijfsarts kan niet als zodanig gelden, reeds omdat een actuelere, door de bedrijfsarts op 28 mei 2014 opgestelde FML, beschikbaar is. Nog daargelaten dat een visie van een bedrijfsarts op de medische beperkingen van een verzekerde geen rol speelt bij de vaststelling van de belastbaarheid door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) van het Uwv, wordt erop gewezen dat de arts van het Uwv in de FML van 5 augustus 2014 meer beperkingen heeft aangenomen dan de bedrijfsarts in de FML van 28 mei 2014.

4.2.2.

Dat appellante in het kader van de ZW volledig arbeidsongeschikt werd geacht, en in het kader van de Wet WIA slechts 2,97% is niet, zoals appellante stelt, onbestaanbaar. Immers, het beoordelingskader van de ZW en Wet WIA is verschillend. In het kader van de ZW is de vraag aan de orde of de verzekerde geschikt is voor het eigen werk, en in het kader van de Wet WIA is de vraag aan de orde of de verzekerde geschikt is voor algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit wordt onderschreven.

4.4.

Ook het oordeel van de rechtbank dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de belasting van de geduide functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt, wordt onderschreven. Appellante heeft gesteld dat zij niet geschikt is voor de onder SBC-code 267050 vallende functie samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar omdat sprake is van een stoffige omgeving en zij niet kan samenwerken. Hierin wordt zij niet gevolgd. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat in deze functie wat betreft stof, rook, gassen en dampen geen sprake is van een bijzondere belasting. De stelling dat appellante niet geschikt is voor de geduide functie omdat zij niet kan samenwerken houdt niet meer in dan de stelling dat het Uwv haar op dat punt medisch beperkt had moeten achten. Op dat punt wordt volstaan met een verwijzing naar 4.2.1.

4.5.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2018.

(getekend) B.M. van Dun

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

RH