Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
16/55 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft de afwijzing van de gevraagde voorziening terecht gebaseerd op de grond dat de noodzaak voor deze voorziening ontbreekt, ook als het destijds zorgvuldig medisch onderzoek zou hebben laten verrichten. De Raad ziet daarom aanleiding het bestreden besluit ondanks het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand te laten, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/55 WMO

Datum uitspraak: 20 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 september 2015, 15/3479 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2017. Appellant en mr. Vreeswijk zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.G. Veldstra. Het onderzoek is ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen om nader medisch onderzoek te laten verrichten.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Raad heeft een termijn gesteld waarbinnen partijen kenbaar konden maken (nader) ter zitting te willen worden gehoord. Partijen hebben niet gereageerd. De Raad heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 2 december 2014 heeft het college appellant in aanmerking gebracht voor een aantal woonruimteaanpassingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, waaronder enkele aanpassingen van het toilet.

1.2.

Bij besluit van 24 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2014 ongegrond verklaard. Daaraan is, onder verwijzing naar een advies van de MO-zaak van 21 oktober 2014, ten grondslag gelegd dat er geen medische noodzaak is om appellant ook in aanmerking te brengen voor een toilet in de badkamer.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat er geen aanleiding is de conclusies van de medisch adviseur van de MO‑zaak in het advies van 21 oktober 2014 voor onjuist te houden.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het onderzoek van de MO‑zaak is ten onrechte niet gericht geweest op de vraag of van appellant gelet op zijn lichamelijke en psychische beperkingen, waaronder smetvrees, kan worden gevergd en of hij in staat is om tijdens het douchen de afstand van de douche naar het toilet op de gang, na zich al dan niet te hebben afgedroogd, tijdig te overbruggen. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering, zodat dit besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

Na de zitting van de Raad van 14 april 2017 heeft medisch adviseur H. van den Heuvel van Indicatieadviesbureau Amsterdam op verzoek van het college nader medisch onderzoek verricht. Dit onderzoek is onder meer gericht geweest op beantwoording van de onder 4.1 verwoorde vraag. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 juli 2017. Van den Heuvel heeft daarin geconcludeerd dat het in het kader van de psychiatrische problematiek van appellant belangrijk is te begrenzen. Ongebreideld meegaan in de wensen van appellant zal eerder een verder invalideren in de hand werken. Appellant kan de afstand van de doucheruimte tot zijn (aangepaste) toilet normaal overbruggen. Ook op de slaapkamer, de keuken of woonkamer kan appellant last krijgen van zijn diarree. Vanuit deze vertrekken kan appellant ook het huidige toilet bereiken.

4.3.

Er is geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de MO-zaak, aangevuld met de medische beoordeling van Van den Heuvel. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant de conclusies van deze beoordelingen niet met medische stukken onderbouwd heeft weerlegd. De huisarts van appellant heeft in een e-mailbericht van 6 december 2017 aan Van den Heuvel juist onderschreven dat de zorgvraag van appellant moet worden begrensd. De Raad ziet, anders dan appellant, dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de huisarts nader moet worden bevraagd over diens standpunt.

4.4.

Het onder 4.3 overwogene betekent dat het college de afwijzing van de gevraagde voorziening terecht heeft gebaseerd op de grond dat de noodzaak voor deze voorziening ontbreekt, ook als het destijds zorgvuldig medisch onderzoek zou hebben laten verrichten.

De Raad ziet daarom aanleiding het bestreden besluit ondanks het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand te laten, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 501,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.503,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.503,-;

- bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,-

vergoedt aan appellant.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2018.

(getekend) M.F. Wagner

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

TM