Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
17/2479 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verstrekken inkomenstoeslag. Inkomen in twee maanden hoger dan 102% van de bijstandsnorm. Beoordeling inkomen per maand. Geen ruimte voor beoordeling per jaar of gemiddeld inkomen per maand. Beslag op inkomen over maanden met inkomen onder 102% is niet van belang. Gift betreft inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/251
RSV 2018/211 met annotatie van F. Schulmer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2479 PW

Datum uitspraak: 11 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

14 februari 2017, 16/131 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] en [Appellante] , beiden te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.P.B. Moors, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Voor appellanten is verschenen mr. Moors. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Ramacher.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten zijn op 17 maart 2013 gehuwd in Tunesië. Sinds 9 juli 2013 wonen zij samen op het adres [Adres] 52 te [woonplaats] en is appellante rechthebbende in de zin van artikel 11 van de Participatiewet (PW). Appellant ontvangt sinds

5 oktober 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2.

Appellanten hebben op 23 juni 2015 een aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag op grond van de PW ingediend.

1.3.

Bij brieven van 20 en 30 juli 2015 hebben appellanten desgevraagd ontbrekende gegevens en schriftelijke verklaringen verstrekt.

1.4.

Naar aanleiding van de verstrekte gegevens hebben de klantmanager inkomen en de klantmanager werk een onderzoek ingesteld. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 7 augustus 2015. Uit het rapport blijkt onder meer dat in de periode van 1 november 2014 tot 1 juni 2015 op de bankrekening van appellanten de volgende contante stortingen zijn gedaan:

- 12 november 2014 € 105,-

- 2 december 2014 € 700,-

- 30 januari 2015 € 15,-

- 20 maart 2015 € 70,-

- 20 april 2015 € 200,-

- 21 mei 2015 € 150,-

Over die stortingen heeft appellant verklaard dat het bedrag van € 15,- is gestort om een rekening van zijn moeder te betalen, dat het bedrag van € 70,- een gift was van zijn moeder bedoeld voor de aankoop van een babybed, dat het bedrag van € 200,- een gift was van een zus van appellant, bedoeld voor de aanschaf van een kinderwagen en dat het bedrag van € 700,- afkomstig was van een andere zus van appellant en bedoeld was als cadeau voor de zwangerschap van appellante zodat appellanten daarvan samen met de moeder van appellant op vakantie konden gaan bij familie in Tunesië. Op 2 december 2014 is van de bankrekening van appellanten tweemaal een bedrag van € 215,44 en eenmaal een bedrag van € 235,44 naar [website] overgemaakt. Appellant heeft verder verklaard dat hij gemachtigd is voor de bankrekening van zijn moeder en dat zijn moeder, als hij het financieel niet redt, hem wel eens helpt. Het rapport sluit met de conclusie dat sprake is van niet met elkaar overeenkomende verklaringen betreffende de financiële ondersteuning aan appellanten door derden, zodat onvoldoende inzicht bestaat in hun financiële situatie. Wel kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat in de maanden april en mei 2013 en in december 2014 er sprake was van inkomsten die hoger waren dan 102% van de bijstandsnorm.

1.5.

Bij besluit van 6 augustus 2015, gehandhaafd bij besluit van 23 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellanten gedurende de referteperiode een inkomen hadden boven 102% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, waarmee niet is voldaan aan de bij Verordening individuele inkomenstoeslag (Verordening) vastgestelde voorwaarden over het inkomen. Het in aanmerking te nemen inkomen over de maanden april en mei 2013 van appellant bedraagt € 962,90, dus meer dan 102% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (norm alleenstaande met een toeslag van 20%) van € 943,88. In de maand december 2014 was het inkomen van appellanten € 1.443,22, waaronder een als inkomen aan te merken gift van € 700,-, en dus hoger dan 102% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor gehuwden van € 1.359,49. Het college heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de gift van € 700,- uit het oogpunt van bijstandsverlening onverantwoord is en ook geen eenmalig karakter heeft, zodat de gift als inkomen in aanmerking moet worden genomen. Het college heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van de bepalingen van de Verordening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet meer in geschil is dat het inkomen van de maand mei 2013 lager is dan 102% van de toepasselijke bijstandsnorm. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het inkomen in de maanden april 2013 en december 2014 (maanden in geschil) in de weg staat aan verlening van individuele inkomenstoeslag.

4.2.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de PW, voor zover van belang, kan het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.

4.2.1

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de PW. Op grond van het tweede lid van dit artikel hebben de regels, voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel b, in ieder geval betrekking op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.

4.2.2.

De gemeenteraad van Roermond heeft ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8 van de PW de Verordening vastgesteld. De Verordening geldt ingevolge artikel 8 van de Verordening vanaf 1 januari 2015.

4.2.3.

Artikel 1 van de Verordening luidt:

“1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

b. gehuwdennorm: de norm genoemd in artikel 21 aanhef sub b PW;

c. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de PW, en de algemene bijstand;

d. peildatum: de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd, voor zover deze datum niet ligt vóór de dag waarop belanghebbende zich heeft gemeld om de toeslag aan te vragen;

(…)

f. referteperiode: periode van 3 jaren voorafgaand aan de peildatum;

(…)”

In artikel 3, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat een belanghebbende een langdurig laag inkomen heeft als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de PW als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 102% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening bedraagt de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden € 530,-.

In artikel 7 van de Verordening is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbenden kan afwijken van de bepalingen van de Verordening, indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

In de toelichting op de Verordening is bij artikel 3 onder het kopje ‘Laag inkomen’ het volgende opgenomen:

Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 102% van de toepasselijke bijstandsnorm.

De vraag of het inkomen van een belanghebbende gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 102% van de toepasselijke bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen van een belanghebbende gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.”

Als toelichting bij artikel 7 van de Verordening is het volgende opgenomen:

“De individuele inkomenstoeslag is onderworpen aan het individualiseringsbeginsel van de PW. Omwille van de duidelijkheid wordt met dit artikel aangegeven dat het college de opdracht heeft om te beoordelen of er redenen zijn om af te wijken van de algemene regel. Indien daar redenen toe zijn kan uitsluitend ten gunste van de verzoeker worden afgeweken. Dit is een bevoegdheid van het college.”

4.3.

Appellanten stellen dat over de hele referteperiode bezien hun totale inkomen € 7.442,24 lager was dan de voor de individuele inkomenstoeslag geldende grens en dat dit een bijzondere omstandigheid is die rechtvaardigt dat een afwijkende berekeningsmethode wordt gehanteerd. Die afwijkende berekeningssystematiek houdt in dat niet voor elke maand afzonderlijk wordt beoordeeld of sprake is van een overschrijding van de norm van 102 procent, maar dat wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen per maand. Appellanten wijzen er in dit verband op dat de Raad in zijn jurisprudentie niet heeft bepaald dat het onaanvaardbaar zou zijn dat van een andere periode dan een maand zou worden uitgegaan.

4.3.1

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college is voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een langdurig laag inkomen, uitgegaan van het inkomen per maand. In de Verordening is geen definitie opgenomen van het begrip ‘langdurig laag inkomen’. Volgens vaste jurisprudentie (vergelijk de uitspraken van 8 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6421 en 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3592) is het bij het ontbreken van een definitie van het begrip langdurig laag inkomen in de toepasselijke verordening, aanvaardbaar om de situatie per maand in plaats van per jaar te bezien. Daarbij is aansluiting gezocht bij het in artikel 5, aanhef en onder c, van de Wet werk en bijstand, nu artikel 5, aanhef en onder c, van de PW, gehanteerde begrip ‘bijstandsnorm’ en is van betekenis geacht dat de desbetreffende norm ziet op bedragen per kalendermaand en dat het recht op bijstand, behoudens uitzonderingssituaties, per maand wordt vastgesteld. Bij het ontbreken van een afwijkende systematiek in de verordening, ligt het in de rede om voor de beantwoording van de vraag of iemand tijdens de referteperiode inkomen boven de bijstandsnorm heeft genoten, de hiervoor omschreven systematiek van de PW te hanteren. Daarvoor is in dit geval temeer reden, nu in de hiervoor geciteerde toelichting op artikel 3 van de Verordening wordt uitgegaan van een beoordeling per maand.

4.3.2.

Gelet op 4.3.1 behoeft de vraag of bij de berekening van het inkomen terecht geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat gedurende een deel van de referteperiode, niet zijnde de maanden in geschil, executoriaal beslag is gelegd op de WAO-uitkering van appellant, geen nadere bespreking.

4.4.

Appellanten hebben verder betoogd dat sprake is van een zeer geringe overschrijding van de inkomensgrens. Zij wijzen er op dat de overschrijding in de maand april 2013 maar € 19,02 is. Wat december 2014 betreft, is ten onrechte een bedrag van € 700,- als inkomen in aanmerking genomen. Volgens appellanten was het bedrag een gift afkomstig van de zus van appellant, is het bedrag besteed voor vliegtickets naar Tunesië voor hen en de moeder van appellant en is het bedrag daarmee aangewend voor het doel waarvoor het is gegeven. Volgens appellanten zou daarom een bedrag van € 480,88 - de twee vliegtickets van appellanten - in ieder geval buiten aanmerking moeten worden gelaten. Appellanten wijzen er op dat het college het beleid voert dat bij een specifieke bestemming vrijlating van een gift eerder in de rede ligt. Subsidiair hebben appellanten betoogd dat de omstandigheid dat het maar om een geringe overschrijding van de inkomensgrens gaat, voor het college aanleiding had moeten zijn om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

4.4.1.

Van een marginale overschrijding zoals omschreven in de toelichting bij de Verordening is hier geen sprake. De overschrijding van € 19,02 over de maand april 2013 is meer dan het in de Verordening genoemde bedrag van € 5,-. Anders dan appellanten bepleiten, is er verder geen reden om het bedrag van € 700,- niet als inkomen in aanmerking te nemen. Dat bedrag is gestort op de bankrekening van appellanten. Dat betekent dat appellanten er vrijelijk over hebben kunnen beschikken. Dat het bedrag van € 700,- niettemin niet ter vrije besteding was, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. De verklaring van de zus van appellant dat zij het bedrag van € 700,- heeft gegeven als cadeau voor de zwangerschap van zijn vrouw, zodat appellanten daarmee op familiebezoek naar Tunesië konden gaan en dat zij, omdat zij in België woont, het bedrag in contanten aan appellant heeft overhandigd, zodat hij dat op zijn rekening kon storten en via [website] de reis kon boeken, is daarvoor niet voldoende. Dat er na de betaling van de tickets nog een bedrag resteerde wijst er juist op dat het bedrag wel vrij te besteden was. Het bedrag maakt bovendien deel uit van een reeks van stortingen afkomstig van familieleden. Dat brengt mee dat het college het bedrag van € 700,- terecht en in overeenstemming met de Verordening, als inkomen heeft aangemerkt.

4.4.2.

Anders dan appellanten hebben betoogd is er geen sprake van zodanig bijzondere omstandigheden dat het college daarin aanleiding had moeten vinden om hen - in afwijking van de Verordening - een inkomenstoeslag te verstrekken.

4.5.

Uit 4.3 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.H.H. Slaats

TM