Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2872

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
17/611 AOW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het AOW-pensioen wordt onderschreven. Nader onderzoek in hoger beroep door de SVB heeft opgeleverd dat appellant niet voorkomt in de administratie van pensioenfondsen voor werknemers in de sector industriƫle reiniging en scheepsonderhoud. Ook het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de partnertoeslag wordt gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 611 AOW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2016, 16/37 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 6 september 2018

Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum

Griffier: W.M. Swinkels

Ter zitting zijn verschenen: de Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Marijnissen. Appellant is niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1.1.

Appellant heeft bij de Svb een aanvraag ingediend om toekenning van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij in de periode van 1972/1973 tot en met 1988 in Rotterdam heeft gewoond en gewerkt.

1.2.

Bij besluit van 24 juni 2015 heeft de Svb aan appellant met ingang van 1 oktober 2015 een AOW toegekend. Op het pensioen is een korting toegepast van 40% omdat appellant niet verzekerd is voor de AOW over de periode vanaf 1 oktober 1965 tot en met 30 juni 1986.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het AOW-pensioen. Verder heeft appellant aangevoerd dat ten onrechte geen toeslag is toegekend voor zijn echtgenote.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 1 december 2015 (bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen het besluit van 24 juni 2015 ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. In aanvulling op zijn aanvraag heeft appellant gesteld dat hij van 1974 tot 1975 in het scheepsonderhoud heeft gewerkt en sinds 12 juni 1981 bij [naam] heeft gewerkt vlakbij [gemeente] . Ter ondersteuning hiervan heeft appellant een kopie ingezonden van een identiteitsbewijs van [bedrijf 1] van 12 juni 1981 en een identiteitsbewijs van [bedrijf 2] .

2.2.

De Svb heeft naar aanleiding hiervan het standpunt ingenomen bereid te zijn over het jaar 1981 alsnog verzekering voor de AOW aan te nemen, nu op het identiteitsbewijs van [bedrijf 1] vermeld staat dat appellant in dat jaar in dienst is getreden. Voor wat betreft de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft de Svb geen informatie kunnen achterhalen.

2.3.

De rechtbank heeft in dit nadere standpunt van de Svb aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen wat betreft de hoogte van het ouderdomspensioen en heeft bepaald dat appellant aanspraak op AOW heeft ter hoogte van 62% van het maximale pensioen voor een gehuwde. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de Svb informatie heeft opgevraagd bij het Schakelregister en bij de gemeente Rotterdam. Appellant komt niet voor in de basisregistratie personen en ook niet in de archieven van de gemeente Rotterdam. Uit het schakelregister komt naar voren dat appellant vanaf 1986 in Nederland woonde. Verder is uit navraag bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebleken dat aan appellant in 1989 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend. Dit jaar heeft de Svb ook als verzekerd jaar aangenomen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb terecht aan appellant geen partnertoeslag heeft toegekend, omdat met ingang van 1 januari 2015 de regeling voor nieuwe gerechtigden is komen te vervallen.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij recht heeft op een partnertoeslag en op een hoger pensioen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van het AOW-pensioen wordt onderschreven. Daar wordt het volgende aan toegevoegd. De Svb heeft in hoger beroep nog nader onderzocht of appellant, geboren op [datum in] of [datum in] 1950, bekend is bij het Pensioenfonds voor Havenbedrijven en het Pensioenfonds Vervoer. In laatstgenoemd pensioenfonds is pensioenfonds [naam pensioenfonds] ondergebracht, dat bedoeld is voor werknemers die hebben gewerkt in de sector industriƫle reiniging en scheepsonderhoud. Appellant komt echter niet voor in de administratie van deze pensioenfondsen.

4.2.

Ook het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de partnertoeslag wordt gevolgd.

In artikel 8, eerste lid, van de AOW is, voor zover van belang, bepaald dat de pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht heeft op een toeslag. Nu appellant eerst met ingang van oktober 2015 recht heeft op een ouderdomspensioen, voldoet hij niet aan de in artikel 8, eerste lid, van de AOW vermelde voorwaarden.

4.3.

Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) W.M. Swinkels (getekend) mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

JvC