Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2861

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
17/446 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te laat bezwaar gemaakt. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 446 PW

Datum uitspraak: 11 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

15 december 2016, 16/2096 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 17/447 PW, 17/449 PW, 17/450 PW, 17/451 PW, 17/640 PW en 17/3571 PW plaatsgehad op 19 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Wernik, die zich als gemachtigde heeft gesteld. Namens het college is verschenen R.C.F. de Vos. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 4 juli 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Bij besluit van 21 december 2015 heeft het college de bijstand van appellant herzien over diverse tijdvakken in de periode vanaf 1 juli 2009 tot en met 31 januari 2015 en de bijstand ingetrokken over diverse tijdvakken in de periode vanaf 1 december 2009 tot en met

11 juli 2014. Daarnaast heeft het college over voornoemde tijdvakken kosten van bijstand tot een bedrag van € 34.369,64 (bruto) van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan het besluit van 21 december 2015 ten grondslag gelegd dat appellant sinds 1 juli 2009 regelmatig geldbedragen heeft ontvangen van zijn moeder. Vanwege het structurele karakter heeft het college deze stortingen van zijn moeder ingevolge de artikelen 31 en 32 van de PW tot de middelen van appellant gerekend en als inkomsten aangemerkt. Door geen melding te maken van de ontvangen geldbedragen, heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden.

1.3.

Appellant heeft bij brief van 2 februari 2016, door het college op diezelfde datum ontvangen, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 december 2015.

1.4.

Bij besluit van 24 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend en appellant geen redenen heeft aangevoerd die de termijnoverschrijding kunnen verontschuldigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij volgens de wet recht heeft op 42 dagen om bezwaar te maken. Hij is van begin december tot en met 3 januari 2016 op vakantie geweest in het huis van zijn moeder om haar terugkeer voor te bereiden en heeft op 4 januari 2016 kennis genomen van het besluit van 21 december 2015. Vanaf laatstgenoemde datum is volgens appellant de bezwaartermijn gaan lopen. Hij heeft pas op 18 januari 2016 een bezwaarschrift kunnen opstellen, omdat hij zijn moeder vanaf 4 januari 2016 weer heeft geholpen met haar revalidatie. Vóór zijn vakantie had appellant zijn moeder al intensief begeleid, nadat zij in oktober 2015 thuis was gevallen en in een revalidatiecentrum had verbleven. Op 2 februari 2016 heeft appellant telefonisch contact gehad met een medewerker van het college, waarbij hem te kennen is gegeven dat de bezwaartermijn op 1 februari 2016 was verstreken. Appellant heeft vervolgens dezelfde dag (2 februari 2016) bezwaar gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de termijn om bezwaar te maken, is aangevangen op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijke voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, dus op 22 december 2015 en is geëindigd op 1 februari 2016. Appellant kan dan ook niet gevolgd worden in zijn stelling dat de termijn van zes weken pas is aangevangen op 4 januari 2016, de dag dat hij naar hij stelt pas kennis heeft kunnen nemen van het besluit van 21 december 2015. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend.

4.3.

In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1963) dient een betrokkene die voor langere tijd afwezig is in beginsel toereikende maatregelen te treffen ter behartiging van de eigen belangen. Als wordt nagelaten adequate maatregelen te treffen om tegen een of meer eventueel tijdens de afwezigheid te ontvangen besluiten tijdig - door of namens hem - bezwaar te maken, op al dan niet nader aan te geven gronden, moet dit in het algemeen voor rekening van de betrokkene blijven. Voor zover appellant in verband met zijn verblijf in het huis van zijn moeder niet in staat was om zelf zorg te dragen voor de afhandeling van zijn post, had hij daarvoor een voorziening moeten treffen, bijvoorbeeld door het inschakelen van de hulp van een derde. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij onder de door hem gestelde omstandigheden vanaf 4 januari 2016 niet in staat was om, al dan niet met hulp van derden en op nader aan te voeren gronden, bezwaar te maken tegen het besluit van 21 december 2015. Van 4 januari 2016 tot 1 februari 2016 had appellant daartoe nog ruimschoots de gelegenheid.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) J.M.M. van Dalen

GdJ