Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
17/6833 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad volgt verweerder in zijn standpunt dat appellante niet in omstandigheden heeft verkeerd als bedoeld in de AOR. Uit raadpleging van relatiedossiers en verklaringen van familieleden blijkt niet van omstandigheden in de zin van de AOR gedurende de hier van belang zijnde periode tot 1 februari 1954. Ook historische gegevens over de situatie in Ullath bevestigen niet dat zich daar in de hier van belang zijnde periode ongeregeldheden hebben voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6833 AOR

Datum uitspraak: 20 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 september 2017, kenmerk BZ011063739 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1947 in het voormalig Nederlands Indiƫ, heeft in juni 2016 verzocht om toekenningen op grond van de AOR.

1.2.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 6 december 2016. De afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van

5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indiƫ zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Verweerder meent dat niet is gebleken dat appellante in omstandigheden heeft verkeerd als bedoeld in de AOR. De situatie in Ullath op het eiland Saparua in de periode van 1951 tot 1953 is volgens verweerder niet als zodanig te beschouwen. Bevestigd is wel dat zich vanaf eind 1954 tot in 1955 ongeregeldheden in Ullath hebben voorgedaan, maar die periode valt buiten de werkingssfeer van de AOR.

2.3.

De Raad volgt verweerder in dat standpunt. Verweerder heeft relatiedossiers geraadpleegd en er zijn verklaringen verkregen van een zuster en twee neven van appellante. Uit die gegevens blijkt niet van omstandigheden in de zin van de AOR gedurende de hier van belang zijnde periode tot 1 februari 1954. Appellante zelf noemt het overvliegen van helikopters en het zien van militairen met geweren, voor wie zij schuilde in een grot, alles gesitueerd in de periode 1949-1960. Haar zuster was in de relevante periode tot

1 februari 1954 nog zeer jong. Zij noemt dezelfde ervaringen als appellante, maar haar verklaring is summier en weinig concreet. Dat laatste geldt ook voor de verklaringen van de twee neven van appellante. Dat betrokkenen verwijzen naar (ongeveer) het jaar 1952, maakt dat niet anders. De Raad kan al met al verweerder volgen in zijn standpunt dat, nu historische gegevens over de situatie in Ullath niet bevestigen dat zich daar in de hier van belang zijnde periode ongeregeldheden hebben voorgedaan, in onvoldoende mate naar voren is gekomen dat appellante in omstandigheden als bedoeld in de AOR heeft verkeerd.

2.4.

Uit 2.3 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.H.H. Slaats

TM