Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2851

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
17/2323 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de Svb is de Raad van oordeel dat appellant door het overleggen van originele jaaropgaven over 1971 en 1972, in combinatie met een origineel, op zijn volledige toenmalige naam gesteld identiteitsbewijs van de werkgever, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die jaren in Nederland heeft gewerkt. Appellant heeft alsnog met ingang van 1 juli 2012 recht op een AOW-pensioen op basis van twee verzekerde jaren. Over het tijdvak hiervóór hoeft de Svb niet terug te komen van het eerdere afwijzingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2323 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 februari 2017, 16/908 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 20 september 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018. Namens appellant is daar

mr. De Roy van Zuydewijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G. E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de feiten wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

1.2.

Appellant heeft in juni 2007 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd onder de naam van [naam 1] (of [naam 2] ) [achternaam] . In het kader van de aanvraagprocedure heeft hij verklaard van 1968 tot 1975 in Nederland te hebben gewerkt bij [naam bedrijf] ( [naam bedrijf] ). Hij was destijds bekend onder de naam

[naam 3] ( [naam 3] ).

1.3.

Bij besluit van de Svb van 21 februari 2008 is de aanvraag van appellant afgewezen, omdat hij volgens de Svb geen toereikend bewijs van werk of ingezetenschap in Nederland had geleverd. Bij besluit van 28 november 2008 heeft de Svb het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 28 november 2008 ongegrond verklaard bij uitspraak van 21 april 2010. Die uitspraak heeft gezag van gewijsde gekregen, zodat het besluit van 21 februari 2008 in rechte onaantastbaar is geworden.

1.4.

Namens appellant heeft de arabiste [naam 4] bij brief van 4 juli 2012 een

verzoek om herziening van het besluit van 21 februari 2008 ingediend. Zij heeft hierin uitleg gegeven over de namen die appellant heeft gebruikt, hun oorsprong en het gebruik in Marokko om namen af te korten of te verbasteren.

1.5.

Bij besluit van 8 november 2012 (primair besluit) heeft de Svb het verzoek van appellant

afgewezen, omdat hij geen nieuwe feiten en/of omstandigheden heeft aangevoerd.

1.6.

Na diverse procedurele verwikkelingen heeft de Svb bij besluit van 1 april 2016 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Omdat het AOW-pensioen een duuraanspraak is, heeft de Svb onderscheid gemaakt tussen het verleden en de toekomst. Met betrekking tot de periode vóór 4 juli 2012 heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin de Svb aanleiding had moeten zien om de beslissing van 21 februari 2008 te herzien. Evenmin is sprake van onmiskenbaar onjuiste beslissingen. Voor de periode ná 4 juli 2012 heeft de Svb ten volle getoetst of appellant aanspraak kan maken op een AOW-pensioen. Volgens de Svb heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij en Allouch dezelfde persoon zijn. De overige door appellant overgelegde gegevens bieden onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat hij in Nederland gewerkt heeft.

2.1.

Tijdens de procedure bij de rechtbank is voor de Svb voldoende aannemelijk geworden dat appellant en [naam 3] dezelfde persoon zijn. Dit is tussen partijen dus niet meer in geschil. De Svb heeft zich echter bij brief van 18 oktober 2016 op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om terug te komen van het afwijzingsbesluit van 21 februari 2008. Volgens de Svb vormen de door appellant overgelegde documenten geen bewijs voor de stelling dat appellant in Nederland heeft gewoond en gewerkt, terwijl onderzoek van de Svb naar het werkverleden van appellant geen positief resultaat heeft opgeleverd. De door appellant overgelegde ziekenfondskaarten maken niet aannemelijk dat appellant in Nederland heeft gewerkt, omdat hierop de naam van de werkgever ontbreekt, het registratienummer niet eenduidig is en geen dan wel een afwijkende geboortedatum wordt vermeld. De overgelegde jaaropgaven vormen evenmin voldoende bewijs, omdat de hierop vermelde naam in Marokko met grote regelmaat voorkomt. Zo wordt niet uitgesloten dat de door appellant overgelegde bescheiden in feite betrekking hebben op de broer van appellant, die aan dezelfde adressen heeft gewoond als appellant en dezelfde namen heeft gebruikt.

2.2.

De rechtbank heeft, voor zover in deze procedure nog van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten, met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht. Volgens de rechtbank heeft appellant ter onderbouwing van zijn verzoek van 4 juli 2012 slechts feiten en omstandigheden naar voren gebracht die hem allang bekend waren en die hij ook tegen het besluit van 21 februari 2008 had kunnen aanvoeren. Aldus heeft appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Met betrekking tot de periode vanaf

4 juli 2012 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de Svb terecht heeft aangenomen dat appellant niet voor de AOW verzekerd is geweest. De proceskosten zijn begroot op

2,5 punt ad € 495,-.

3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellant acht de toetsing van de rechtbank over de periode voor 4 juli 2012 te beperkt, omdat de Svb de beoordeling van de aanvraag van

4 juli 2012 materieel ten volle heeft beoordeeld en op inhoudelijke gronden heeft afgewezen. Appellant heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872. Verder meent appellant dat in ieder geval de overgelegde originele jaaropgaven over 1971 en 1972 bewijzen dat appellant in die jaren in Nederland heeft gewerkt. Ten slotte stelt appellant zich op het standpunt dat de rechtbank de kosten van rechtsbijstand had moeten begroten op 4,5 punt ad € 495,-.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Over de omvang van de toetsing met betrekking tot het tijdvak vóór 4 juli 2012 heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Svb zowel in het bestreden besluit als in zijn brief van

18 oktober 2016 heeft geconcludeerd dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Awb, en dat alles wat appellant ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft aangevoerd, betrekking heeft op (bewijs van) feiten en omstandigheden die hem al lang bekend waren en die hij ook al tegen het eerdere besluit had kunnen aanvoeren. Ook in hoger beroep is niet duidelijk geworden dat en waarom de door appellant in de loop van deze beroepsprocedure overgelegde stukken niet eerder konden worden overgelegd. Dat de Svb naar aanleiding van het verzoek van appellant heeft getoetst of het besluit van

21 februari 2008 ten tijde van het nemen daarvan, op basis van de toenmalige stand van zaken, onmiskenbaar onjuist was, brengt met zich dat de inhoudelijke rechterlijke toets tot dit aspect moet worden beperkt. Het standpunt van appellant dat de rechtbank over het tijdvak vóór 4 juli 2012 een toetsing had moeten verrichten als betrof het een nieuwe aanvraag,

wordt daarom onder verwijzing naar de onder 3 genoemde uitspraak van de Raad van

20 december 2016 verworpen.

4.2.1.

Ter zitting van de Raad is gebleken dat het geschil over het al dan niet verzekerd zijn geweest van appellant zich toespitst op de jaren 1971 en 1972. Appellant heeft ter zitting originele jaaropgaven over deze jaren laten zien van NV [NV] , gesteld ten name van [naam 3] , [adres 1] respectievelijk [adres 2] . Ook heeft hij een origineel identiteitsbewijs getoond van [NV] ten name van [naam 3] . Hij heeft ook een originele jaaropgave van zijn broer laten zien, met een ander registratienummer. De Svb heeft zich op het standpunt gesteld dat deze stukken niet voldoende aannemelijk maken dat appellant in de jaren 1971 en 1972 in Nederland heeft gewerkt, omdat dit niet wordt bevestigd door registratie bij een werkgever, een pensioenfonds of het bevolkingsregister. Als er wel een bevestiging uit onafhankelijke bron was geweest, zouden deze stukken mogelijk aanleiding hebben kunnen vormen om appellant over genoemde jaren verzekerd te achten.

4.2.2.

Anders dan de Svb is de Raad van oordeel dat appellant door het overleggen van originele jaaropgaven over 1971 en 1972, in combinatie met een origineel, op zijn volledige toenmalige naam gesteld identiteitsbewijs van de werkgever, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in die jaren in Nederland heeft gewerkt. Met deze documenten staat vast dat [naam 3] als schoonmaker in dienst is geweest van

[NV] en dat een persoon met de naam [naam 3] in 1971 en 1972 in dienst van [NV] heeft gewerkt. Tussen partijen is niet langer in geschil dat het appellant is geweest die bekend stond onder de naam [naam 3] . Door overlegging van een originele jaaropgave van de broer van appellant met een ander registratienummer is uitgesloten dat de jaaropgaven van de broer zowel door appellant als door zijn broer worden gebruikt ter verkrijging van een AOW-pensioen. De stelling van de Svb dat veel personen in Marokko de naam [naam 3] dragen, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel.

4.2.3.

Nu originele jaaropgaven zijn overgelegd, kent de Raad geen zelfstandige betekenis toe aan het feit dat appellant niet is teruggevonden in het archief van de werkgever, een pensioenfonds of het bevolkingsregister. De Raad ziet geen reden om te veronderstellen

dat de jaaropgaven zijn vervalst. Als de gegevens van appellant wel in het archief

van een onafhankelijke bron zouden zijn teruggevonden, zou dit niet meer informatie opleveren dan dat inderdaad een persoon met de naam [naam 3] dan wel

[naam 3] in 1971 en 1972 in dienst van [NV]

heeft gewerkt. Dit staat op basis van de originele jaaropgaven, die juist strekken tot bewijs van de dienstbetrekking, het loon en de verrichte inhoudingen, al vast. Er zou echter niet meer of minder duidelijkheid zijn over de vraag of appellant de betreffende persoon is. Het feit dat appellant niet in de desbetreffende registers is teruggevonden kan in dit specifieke geval dan ook niet in zijn nadeel worden uitgelegd. Dat zou anders zijn als slechts kopieën van jaaropgaven zouden zijn overgelegd.

4.2.4.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.2.3 leidt ertoe dat appellant alsnog met ingang van 1 juli 2012 recht heeft op een AOW-pensioen op basis van twee verzekerde jaren. Over het tijdvak hiervóór hoeft de Svb niet terug te komen van het eerdere afwijzingsbesluit.

4.3.

De Raad is ten slotte van oordeel dat de rechtbank de proceskosten van appellant op goede gronden heeft begroot op 2,5 punt ad € 495,-. De rechtbank heeft op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) 1 punt toegekend voor het beroepschrift tegen niet tijdig beslissen. Vervolgens heeft de Svb op 1 april 2016 een inhoudelijk besluit genomen. Het beroepschrift tegen dit besluit is een aanvullend beroepschrift. Hiervoor wordt volgens het Besluit geen punt toegekend. De memorie van 18 juli 2016 en de memorie van

27 november 2016 kunnen niet worden beschouwd als repliek, schriftelijke uiteenzetting of schriftelijke inlichtingen in de zin van het Besluit, aangezien de rechtbank appellant niet uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren en niet uitdrukkelijk om inlichtingen heeft gevraagd. Voor de zitting van 4 augustus 2016 is 1 punt toegekend, en voor de nadere zitting van 17 januari 2017, anders dan na tussenuitspraak, 0,5 punt. Appellant is derhalve niet tekort gedaan.

5. Er is aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.002,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat appellant met ingang van 1 juli 2012 recht heeft op een AOW-pensioen op basis van twee verzekerde jaren;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het primaire besluit;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2018.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

LO