Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2826

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
16/5890 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:3538) heeft de Raad overwogen dat de opleiding van betrokkene voldoende is ingebed in het kwaliteitszorgsysteem van de Verenigde Staten en dat is voldaan aan de eis van accreditatie zoals die door de minister zou behoren te worden ingevuld. De minister heeft een nadere motivering van het bestreden besluit gegeven en aan de hand van een daarbij meegezonden nader advies van de Nuffic uiteengezet waarom de door betrokkene gevolgde opleiding niet voldoet aan de primaire en secundaire kenmerken waaraan de Nuffic toetst of een opleiding, ook voor wat betreft het eindniveau, vergelijkbaar is met een Nederlandse opleiding. De minister heeft het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5890 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van 19 april 2016 en de einduitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 augustus 2016, 15/1420 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 19 september 2018

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 11 oktober 2017 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2017:3538, gedaan (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de minister een nadere motivering van het bestreden besluit ingezonden.

Betrokkene heeft een zienswijze ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe.

1.2.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat de opleiding van betrokkene voldoende is ingebed in het kwaliteitszorgsysteem van de Verenigde Staten en dat is voldaan aan de eis van accreditatie zoals die door de minister zou behoren te worden ingevuld. Nader onderzoek naar de door de kenmerken van het door betrokkene gevolgde onderwijs mocht dan ook niet achterwege blijven. De minister heeft het bestreden besluit niet kunnen baseren op het door EP-Nuffic (thans Nuffic) uitgebrachte advies, met name omdat daarin ten onrechte een nader onderzoek naar (het eindniveau van) de opleiding ontbrak. De minister is opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

1.3.

In zijn brief van 18 december 2017 heeft de minister een nadere motivering van het bestreden besluit gegeven en aan de hand van een daarbij meegezonden nader advies van de Nuffic uiteengezet waarom de door betrokkene gevolgde opleiding niet voldoet aan de primaire en secundaire kenmerken waaraan de Nuffic toetst of een opleiding, ook voor wat betreft het eindniveau, vergelijkbaar is met een Nederlandse opleiding.

1.4.

Uit het nader advies van de Nuffic komt naar voren dat voor de beoordeling van het eindniveau is gekeken naar de toelatingseisen, de missie van de instelling waar het onderwijs wordt verzorgd, het doel van de opleiding en de mogelijkheden om vervolgstudies te doen met de verkregen kwalificatie. In het advies heeft de Nuffic uiteengezet dat sprake is van een beroepsmatige opleiding waarna vervolgonderwijs slechts mogelijk is als wordt voldaan aan nadere vereisten.

1.5.

De minister heeft dit advies getoetst op de wijze die is beschreven in de tussenuitspraak van de Raad, en mogen concluderen dat met het onderzoek naar de onder 1.4 genoemde beoordelingselementen kan worden vastgesteld dat de door betrokkene gevolgde opleiding niet kan worden gekwalificeerd als een opleiding als bedoeld in artikel 2.14, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 en dat het advies daarmee voldoet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld. De minister heeft het advies dan ook ten grondslag kunnen leggen aan de nadere motivering van het besluit van 9 februari 2015.

1.6.

De andersluidende conclusie van betrokkene, zoals verwoord in de zienswijze van 8 januari 2018, wordt niet gedeeld. Het standpunt dat voor een volgens betrokkene vergelijkbare theateropleiding wel studiefinanciering wordt verstrekt maakt niet dat het door de Nuffic uiteindelijk gegeven advies over de in geding zijnde opleiding niet op een zorgvuldig onderzoek berust of niet langer concludent is en derhalve niet door de minister kan worden gevolgd. Ook hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd leidt niet tot dit oordeel. De Nuffic heeft hetgeen (eerder) door appellant naar voren is gebracht op inzichtelijke wijze besproken en uiteengezet waarom dit niet slaagt.

2.1.

Uit wat onder 1.1 tot en met 1.6 is overwogen volgt dat de minister het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft hersteld.

2.2.

De aangevallen tussenuitspraak moet worden bevestigd. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, behoudens voor zover de rechtbank het besluit van 12 november 2014 heeft herroepen en heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

3. Voor veroordeling tot vergoeding van schade bestaat geen aanleiding, omdat de weigering om studiefinanciering toe te kennen uiteindelijk stand houdt.

4. De kosten van verzending van aangetekende brieven naar Amerika komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu die kosten niet worden genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Van andere kosten die wel voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen, is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen tussenuitspraak;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover de rechtbank het besluit van

12 november 2014 heeft herroepen en heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 9 februari 2015;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 9 februari 2015, zoals aangevuld bij brief

van 18 december 2017, in stand blijven;

- wijst het verzoek van betrokkene om vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en L.M. Tobé en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018.

(getekend) J. Brand

(getekend) P. Boer

KS