Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
17/1419 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:13, Overig
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW‑uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1419 ZW

Datum uitspraak: 19 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
6 januari 2017, 16/1346 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Özateş, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Voor appellante is verschenen mr. Özateş. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij brief van 22 december 2014 heeft appellante zich per 21 december 2012 bij het Uwv ziek gemeld. Appellante heeft hierbij vermeld dat zij zich na een verkeersongeval op 21 december 2012 bij haar werkgever [naam B.V.] B.V. ziek heeft gemeld en sindsdien ziek is gebleven, dat haar werkgever weigert loon door te betalen en dat zij per 21 december 2012 ontslagen is. Bij besluit van 12 januari 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 21 december 2012 geen recht heeft op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat de werkgever verplicht is tijdens ziekte loon door te betalen. Bij besluit van 5 oktober 2015 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2015 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Bij brief van 24 juni 2015 heeft appellante verzocht om toekenning van een ZW-uitkering per 11 januari 2013, omdat de rechtbank Zeeland-West-Brabant in een vonnis van 22 oktober 2014 heeft vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst van appellante per 11 januari 2013 rechtsgeldig is beëindigd. Appellante meent dat zij ook op grond van een no‑risk polis, die in september 2008 door het Uwv op appellante van toepassing is verklaard, per 11 januari 2013 in aanmerking komt voor een ZW‑uitkering.

1.3.

Naar aanleiding van deze brief is appellante op 16 september 2015 door een verzekeringsarts van het Uwv op het spreekuur gezien. Op basis van de bevindingen tijdens dit spreekuur is appellante per 11 januari 2013 in aanmerking gebracht voor een ZW‑uitkering. De verzekeringsarts heeft gesteld dat appellante met ingang van 1 oktober 2013 weer voldoende belastbaar moet zijn geweest om de maatgevende arbeid te verrichten. Bij besluit van 16 september 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 1 oktober 2013 geen recht meer heeft op een ZW‑uitkering.

1.4.

Bij besluit van 19 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2015, onder verwijzing naar een medisch advies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 januari 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort gezegd, overwogen dat de medische onderzoeken door de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig zijn verricht en die onderzoeken de conclusie, dat appellante ingaande (arbitrair) 1 oktober 2013 weer geschikt is te achten voor haar arbeid als textielsorteerder, kunnen dragen. Dat sprake is van een no‑risk polis en dat het Uwv de kosten van de ZW‑uitkering kan verhalen op de veroorzaker van het verkeersongeval doet hier niet aan af.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er geen enkel gewicht is toegekend aan het feit dat de medische beoordeling buiten de schuld van appellante ruim twee jaar na dato heeft plaatsgehad, wat tot gevolg heeft gehad dat de datum 1 oktober 2013 als hersteldatum arbitrair is. Deze omstandigheid dient voor risico van het Uwv te komen nu het bestaan van een no‑risk polis door het Uwv aanvankelijk niet is onderkend. Ten onrechte is verder gewicht toegekend aan het feit dat appellante niet de juiste medische behandeling zou hebben ondergaan en in februari 2015 weer als textielsorteerder heeft hervat.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft eerst bij brief van 22 december 2014 bij het Uwv melding gemaakt van het feit dat zij sinds 21 december 2012 ziek is. Van een eerdere telefonische ziekmelding in januari 2013, zoals door appellante ter zitting van de Raad is gesteld, is niet gebleken en appellante heeft daarvoor ook geen bewijs ingebracht. Anders dan door appellante gesteld, kan de omstandigheid dat haar aanspraken op een ZW‑uitkering door de verzekeringsartsen van het Uwv noodzakelijkerwijs retrospectief zijn beoordeeld niet aan het Uwv verweten worden.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsartsen, appellantes geschiktheid voor haar arbeid als textielsorteerder per 1 oktober 2013 voldoende heeft onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat appellante met vergelijkbare klachten haar werkzaamheden als textielsorteerder vóór 21 december 2012 heeft kunnen verrichten, en dat zij vanaf februari 2015 – met een volgens appellante ongewijzigd klachtenpatroon – weer voltijds als textielsorteerder heeft hervat. Dat appellante door haar nieuwe werkgever in die werkzaamheden in relevante mate zou worden ontzien, acht de Raad niet aannemelijk. Het feit dat appellante eerst in oktober 2014 adequate behandeling van haar nek- en armklachten heeft gezocht in de vorm van fysiotherapie, dat zij in juli en augustus 2013 op vakantie ging en dat door de behandelend psycholoog in september 2013 geen melding wordt gemaakt van somatische nek- en armklachten, duidt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep evenmin op het bestaan van ernstige fysieke afwijkingen op 1 oktober 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij betrokken dat röntgenonderzoek op 21 december 2012 geen relevante afwijkingen liet zien. In de brief van 7 februari 2014 van de medisch adviseur M. Blom, opgemaakt in het kader van een letselschadeprocedure, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel. In die brief worden geen uitspraken gedaan over de belastbaarheid van appellante in relatie tot haar werk van textielsorteerder.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en D.S. de Vries en E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

NW