Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
16/7493 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. WAO-uitkering terecht teruggevorderd. Geen dringende reden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7493 WAO

Datum uitspraak: 14 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
19 oktober 2016, 16/2271 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.T. ’t Jong hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. ’t Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was voor 38 uur per week werkzaam als eerste medewerker meldkamer. Voor dit werk is hij wegens rugklachten uitgevallen. Per 5 november 2002 is aan hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant heeft zijn werk gedeeltelijk hervat. Op 15 september 2009 is appellant opnieuw uitgevallen. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv in een rapport van 26 september 2011 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 13 oktober 2009 (vier weken na datum ziekmelding) 80 tot 100% bedraagt. Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering per 13 oktober 2009 wordt verhoogd tot een bedrag van € 2.452,10 bruto per maand. Het bedrag van de nabetaling in verband met de verhoging van de uitkering over de periode van 13 oktober 2009 tot 1 november 2011 heeft het Uwv, na daartoe van appellant verkregen machtiging, aan de werkgever overgemaakt. Vanaf 1 november 2011 is de uitkering aan appellant uitbetaald. Tevens heeft appellant vanaf 1 november 2011 zijn werk bij zijn werkgever gedeeltelijk, voor 9 uur per week, hervat, na de mogelijkheid daartoe op 26 september 2011 met de arbeidsdeskundige van het Uwv te hebben besproken.

1.2.

Bij besluit van 6 oktober 2015 heeft het Uwv onder toepassing van artikel 44 van de WAO bepaald dat de WAO-uitkering van appellant over de periode van 1 november 2011 tot 1 september 2015 – in verband met de door appellant in die periode genoten inkomsten – wordt uitbetaald naar de in het besluit genoemde mate van arbeidsongeschiktheid en over genoemde periode een bedrag van € 33.741,76 bruto aan uitkering van hem teruggevorderd. Bij besluit van 24 maart 2016 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving. Gelet op artikel 36a in samenhang gelezen met artikel 57 van de WAO is het Uwv verplicht de uitkering die onverschuldigd is betaald, terug te vorderen. Van het bestaan van een dringende reden om van terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij over de periode van 1 november 2011 tot 1 september 2015 te veel uitkering ontving, bestreden. Volgens appellant mocht hij ervan uitgaan dat de uitkering die hij ontving correct was, omdat hij met de arbeidsdeskundige had besproken dat hij weer gedeeltelijk zou gaan werken en het Uwv via Suwinet over zijn loongegevens kon beschikken. Volgens appellant is er ook contact geweest tussen het Uwv en de werkgever, waarbij is gesproken over de loonwaarde van appellant. Appellant heeft in dit verband verwezen naar aan hem door de werkgever verstuurde akten van ontslag en heraanstelling van 23 januari 2012, een brief van het ABP van 4 september 2012 en een e-mailbericht van de arbeidsdeskundige van 18 november 2015, waaruit volgens appellant volgt dat het Uwv door de werkgever op de hoogte moet zijn gesteld van de loonwaarde van appellant. Appellant heeft tevens aangevoerd dat hij vanaf het moment dat hij ging werken een lagere uitkering ontving dan het in het besluit van 17 oktober 2011 genoemde bedrag van € 2.450,10 bruto per maand, waaruit hij heeft afgeleid dat met zijn loon uit arbeid rekening werd gehouden. Appellant heeft voorts aangevoerd dat het Uwv hem bij besluit van 25 juli 2014 heeft meegedeeld dat hij 80 tot 100% arbeidsongeschikt blijft. Nu het Uwv ervan op de hoogte was dat hij deels werkzaam was, heeft appellant uit dit besluit mogen afleiden dat het Uwv zijn inkomen uit arbeid heeft meegewogen. Volgens appellant staat het het Uwv niet vrij om op dit besluit terug te komen, nu daarin onomwonden en zonder voorbehoud aan appellant is meegedeeld dat hij recht behoudt op een uitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Alles in samenhang bezien kon het appellant niet redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij over de periode van 1 november 2011 tot 1 september 2015 te veel uitkering ontving, waarbij ook de duur van de periode dat de uitkering onverschuldigd is betaald een rol speelt.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In zijn uitspraak van 5 november 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BG3717) heeft de Raad overwogen dat ingeval aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan, het Uwv gehouden is toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO (anticumulatie). Daarbij heeft de Raad geoordeeld dat de bewoordingen van dat artikel in beginsel niet in de weg staan aan toepassing met terugwerkende kracht (wat in de regel het geval zal zijn, indien het Uwv eerst later van de inkomsten uit arbeid op de hoogte wordt gesteld of komt). Voorts blijkt uit die uitspraak dat het Uwv van toepassing van die wetsbepaling pleegt af te zien in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving. Deze door het Uwv bestendig gehanteerde gedragslijn dient op één lijn te worden gesteld met buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient zodanig beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven worden beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of dat beleid in het aanhangige geval op consistente wijze is toegepast.

4.2.

Niet kan worden geoordeeld dat voornoemd beleid niet consistent is toegepast.

Appellant heeft zijn werk vanaf 1 november 2011 voor gemiddeld 9 uur per week hervat tegen betaling van € 836,75 bruto per maand. Afgezet tegen de bruto uitkering van € 2.452,10 gaat het om een wezenlijk bedrag aan loon, waarvan verwacht kon worden dat dit van invloed is op de hoogte van de uitkering. Het Uwv kon in die omstandigheden het standpunt innemen dat zich niet de situatie voordeed dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk was dat hij te veel uitkering ontving.

4.3.

De door appellant gestelde omstandigheden dat het Uwv over zijn loongegevens kon beschikken dan wel beschikte en dat hij feitelijk maandelijks een lager bedrag aan uitkering ontving, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de arbeidsdeskundige blijkens zijn rapport van 26 september 2011 met appellant heeft afgesproken dat de eerste maand van werkhervatting geen korting zal worden toegepast, omdat eerst moet worden bezien of gedeeltelijke werkhervatting voor appellant haalbaar was en dat appellant de arbeidsdeskundige over een maand zou bellen om het vervolg (loonwaarde) door te spreken. Vaststaat dat appellant op 7 november 2011 heeft doorgegeven dat hij zijn werk voor 3 maal 3 uur per week zou gaan hervatten. Niet gesteld of gebleken is echter dat appellant het daarbij behorende loon heeft doorgegeven. Appellant was daartoe op grond van artikel 80 van de WAO wél verplicht, nu dit van invloed kon zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat de werkgever, zoals appellant heeft gesteld, de loongegevens destijds aan het Uwv heeft doorgegeven. Dit volgt onvoldoende uit de e-mail van 18 november 2015 van de arbeidsdeskundige en de overige stukken. Nu appellant ook niet (althans niet eerder dan 6 oktober 2015) een op zijn gewijzigde inkomenssituatie toegespitst besluit heeft ontvangen, kon onder deze omstandigheden niet geoordeeld worden dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij te veel uitkering ontving.

4.4.

Ook het beroep op het besluit van 25 juli 2014 waarin het Uwv heeft bericht dat het door appellant van zijn werkgever ontvangen bedrag aan werkgeversbijdrage levensloop geen gevolgen heeft voor de hoogte van zijn WAO-uitkering en dat appellant nog steeds tussen de 80 en 100% arbeidsongeschikt wordt geacht, leidt niet tot een ander oordeel. Naar ook de rechtbank terecht heeft overwogen kan uit deze mededeling niet worden afgeleid dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid het loon met toepassing van artikel 44 van de WAO is geanticumuleerd. Een gerechtvaardigd vertrouwen dat het Uwv niet alsnog tot toepassing van artikel 44 van de WAO zou overgaan, kan aan dit besluit niet worden ontleend.

4.5.

De slotsom is dat de in bezwaar gehandhaafde beslissing tot anticumulatie de toetsing in rechte kan doorstaan.

4.6.

Niet in geschil is dat het Uwv op basis van het loon van appellant een juiste berekening heeft gemaakt van waarop hij met toepassing van artikel 44 van de WAO recht heeft en dat het Uwv het bedrag dat onverschuldigd is betaald juist heeft vastgesteld. Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO, was het Uwv gehouden om dit onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in het zesde lid van dit artikel om van terugvordering af te zien.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en H.C.P. Venema en J.L Boxum als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2018.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) G.D. Alting Siberg

SSa