Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
17/3226 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte bijstand ingetrokken en teruggevorderd. Onrechtmatig verkregen bewijs in verband met huisbezoek waarvoor geen redelijke grond was; geen objectieve twijfel en susidiariteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3226 PW

Datum uitspraak: 11 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 maart 2017, 16/6505 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats ] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.H. Amstelveen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amstelveen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Boere.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 2 april 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Hij staat vanaf 28 januari 2014

in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [straat en huisnummer] te [woonplaats ] (uitkeringsadres).

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant hebben twee medewerkers van de afdeling bijzonder onderzoek van de Gemeenschappelijke Regeling IJsselgemeenten op 8 maart 2016 onaangekondigd een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres en een gesprek met appellant gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport beëindiging levensonderhoud Participatiewet van 1 april 2016 (rapport).

1.3.

Bij besluit van 5 april 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2016 beëindigd, over de periode van 1 augustus 2015 tot 1 april 2016 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van algemene bijstand en bijzondere bijstand tot een bedrag van in totaal € 8.197,21 van hem teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 1 augustus 2015 niet (langer) zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 augustus 2015 tot en met 5 april 2016.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Appellant betwist de conclusie van het college dat hij in de te beoordelen periode niet langer op het uitkeringsadres hoofdverblijf had en heeft aangevoerd dat die conclusie voldoende feitelijke grondslag ontbeert. Appellant heeft in dat kader betoogd dat zijn verklaring, afgelegd tijdens het huisbezoek op 8 maart 2016, en de overige bevindingen uit het huisbezoek niet aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd, omdat het huisbezoek onrechtmatig is geweest. Er bestond onvoldoende aanleiding voor het afleggen van een huisbezoek en het verifiëren van bepaalde gegevens kon op een minder ingrijpende wijze plaatsvinden.

4.4.

Artikel 8, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, dan dient de betrokkene erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de betrokkene erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning rust op het bijstandverlenend orgaan.

4.5.

Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.6.

In het bestreden besluit worden onder verwijzing naar het rapport de feiten en omstandigheden genoemd die de redelijke grond vormden voor twijfel aan de woonsituatie van appellant. Voor een aantal van de daarin vermelde feiten, te weten dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan uitnodigingen van het college, dat hij uitsluitend via een

e-mailbericht door het college wil worden uitgenodigd, dat buurtbewoners verklaren dat appellant niet op het uitkeringsadres woont en dat hij op kosten van de gemeente [plaatsnaam] een cursus volgt, geldt dat deze door appellant zijn betwist. Tegenover deze betwisting heeft het college geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd ter onderbouwing daarvan. Dit betekent dat deze door het college gestelde feiten redelijkerwijs niet tot de twijfel aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens hebben kunnen leiden. Ten aanzien van de overige in het bestreden besluit genoemde feiten, te weten dat appellant vrijwilligerswerk verricht in de gemeente [plaatsnaam], een vriendin heeft in [plaatsnaam] en gebruik maakt van haar auto en dat appellant niet op het uitkeringsadres is aangetroffen op

4 maart 2016, geldt dat het college, om de door deze feiten en omstandigheden opgeroepen twijfel weg te nemen, ook andere onderzoeksmiddelen had kunnen inzetten. Deze gegevens had het college dus op een andere effectieve en voor appellant minder belastende wijze kunnen verifiëren. Zo had het college bijvoorbeeld appellant kunnen oproepen voor een gesprek en hem kunnen vragen naar zijn woon- en leefsituatie. Indien appellant daarvoor geen bevredigende verklaring zou kunnen geven, zou (aansluitend aan dit gesprek en dus nog steeds onverwacht) alsnog een huisbezoek hebben kunnen volgen.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op

8 maart 2016 ontbrak. Appellant is ten onrechte bij het huisbezoek voorgehouden dat hij verplicht was daaraan mee te werken en dat weigering van dit huisbezoek directe consequenties zou hebben voor de uitkering in die zin dat die weigering ertoe zou leiden dat de bijstand werd beëindigd. Dit betekent dat de toestemming voor het binnentreden van de woning niet is verleend op basis van ‘informed consent’. Het huisbezoek op 8 maart 2016 was dan ook onrechtmatig.

4.8.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK8928) brengt een onrechtmatig huisbezoek in een geval als hier aan de orde, waarin een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek ontbreekt, mee dat het bijstandverlenend orgaan de bevindingen van dat huisbezoek in beginsel niet mag gebruiken bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is. In dit geval bestaan geen aanknopingspunten om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat betekent dat wat tijdens het huisbezoek door appellant tegenover de handhavingsmedewerkers is verklaard en door deze medewerkers tijdens het huisbezoek is waargenomen buiten beschouwing dient te blijven bij de beantwoording van de vraag of appellant in de te beoordelen periode feitelijk zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

4.9.

De besluitvorming in deze zaak is uitsluitend gebaseerd op de bevindingen van het huisbezoek. Dat betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het niet berust op een draagkrachtige motivering. Aan het besluit van 5 april 2016 kleeft hetzelfde gebrek. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat het geen nader onderzoek kan verrichten naar de woonsituatie van appellant in de te beoordelen periode. Daarom zal de Raad het besluit van 5 april 2016 herroepen.

5. Het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het college de rente over de na te betalen uitkering moet berekenen, wordt verwezen naar de uitspraak van

25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. Het gaat hier om de termijnen vanaf

1 april 2016. Dit betekent dat de wettelijke rente is ingegaan op 1 mei 2016. Over iedere verdere termijn is de wettelijke rente telkens gaan lopen op de eerste dag van de daaropvolgende kalendermaand. Voor zover het ten onrechte teruggevorderde bedrag over de periode van 1 augustus 2015 tot 1 april 2016 door appellant is betaald aan het college, is ingevolge artikel 4:102, eerste lid, van de Awb de wettelijke rente over dit bedrag op de datum van betaling gaan lopen. Telkens na afloop van een jaar dient het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 3.006,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 juli 2016;

  • -

    herroept het besluit van 5 april 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

besluit van 4 juli 2016;

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente zoals onder 5 vermeld;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.006,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld als voorzitter en A. Stehouwer en

E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.