Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
16/6711 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden. Kopen van spullen en verschepen naar China. Intrekken, terugvorderen en boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6711 PW, 17/424 PW, 17/3299 PW

Datum uitspraak: 11 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 14 september 2016, 16/1473 (aangevallen uitspraak 1), 30 november 2016, 16/2182 (aangevallen uitspraak 2) en 20 maart 2017, 16/3285 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 10 juli 2018, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 15 juni 2010 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Appellant heeft in augustus 2014 per e-mail aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gemeld dat appellante een webshop exploiteert en dat hij de webshop bij de Kamer van Koophandel wil laten registreren. De IND heeft dat vervolgens gemeld bij het college. Het college heeft naar aanleiding daarvan een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.

1.3.

Appellanten hebben op 9 september 2014 een aanvraag op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) ingediend in verband met de start van een webwinkel in voedings- en verzorgingsmiddelen. Het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf heeft in verband hiermee op 22 januari 2015 op verzoek van het college een rapport over de levensvatbaarheid van de webwinkel uitgebracht. Het college heeft de beslissing op de Bbz-aanvraag aangehouden in afwachting van de resultaten van het onder 1.2 vermelde rechtmatigheidsonderzoek. De aanvraag is op 10 maart 2015 afgewezen.

1.4.

In het kader van het rechtmatigheidsonderzoek hebben medewerkers van team Handhaving & Invordering van de gemeente Emmen (handhavingsmedewerkers) dossieronderzoek verricht en gegevens van de bankrekeningen van appellanten bij onder meer de Industrial and Commercial Bank of China te Amsterdam (ICBC) en de ING-bank gevorderd. Op 14 oktober 2015 hebben de handhavingsmedewerkers een huisbezoek afgelegd op het woonadres van appellanten. Op 23 november 2015 en op 9 december 2015 hebben de handhavingsmedewerkers appellanten gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 december 2015 (rapport). In het rapport staat onder andere dat op de ING-rekening op naam van appellante over de periode 21 augustus 2012 tot en met 28 juli 2015 een bedrag van in totaal € 104.470,70 is bijgeschreven. Over de periode van

21 augustus 2012 tot en met 21 juli 2015 is van deze ING-rekening een bedrag van in totaal

€ 45.900,- in contanten opgenomen. Op de ICBC-bankrekening op naam van appellante is in de periode van 13 januari 2014 tot en met 26 juni 2015 in totaal een bedrag van € 60.738,- bijgeschreven en een bedrag van € 60.730,- overgemaakt naar de ING-rekening op naam van appellante.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

21 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 februari 2016 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten met ingang van 21 augustus 2012 in te trekken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten met het inkopen en verschepen van producten naar China op geld waardeerbare activiteiten hebben verricht en dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door hiervan geen melding te maken. Hierdoor is het recht op bijstand vanaf 21 augustus 2012 niet vast te stellen.

1.6.

Bij besluit van 8 januari 2016 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 21 augustus 2012 tot en met 30 september 2015 tot een bedrag van € 62.433,92 van appellanten teruggevorderd. Tegen dit besluit hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.

1.7.

Op 23 december 2015 hebben appellanten een individuele inkomenstoeslag aangevraagd. Bij besluit van 2 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 april 2016

(bestreden besluit 2), heeft het college onder verwijzing naar de bevindingen van het rechtmatigheidsonderzoek de aanvraag afgewezen op de grond dat het inkomen van appellanten over de voorafgaande drie jaar (referteperiode) niet is vast te stellen.

1.8.

Bij besluit van 9 mei 2016 heeft het college appellanten een boete opgelegd van

€ 3.335,04 op de grond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Na bezwaar heeft het college bij besluit van 13 juli 2016 (bestreden besluit 3) de boete verlaagd naar € 1.667,52. Daarbij is het college ervan uitgegaan dat de schending van de inlichtingenverplichting appellanten normaal te verwijten is.

1.9.

Met ingang van 24 december 2015 heeft het college aan appellanten weer bijstand toegekend.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij is de rechtbank ervan uitgegaan dat bestreden besluit 1 onder meer betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering van bijstand. Bij aangevallen uitspraken 2 en 3 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1 (intrekking bijstand per 21 augustus 2012)

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 21 augustus 2012, de ingangsdatum van de intrekking, tot en met 21 december 2015, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Appellanten erkennen dat vanaf 21 augustus 2012 relatief grote bedragen op de onder 1.4 genoemde bankrekeningen zijn ontvangen en door hen zijn opgenomen, maar zij betwisten dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden hebben verricht. Van de zussen van appellante in China ontvingen zij geld voor de aanschaf en verscheping van diverse producten. Deze activiteiten vonden uitsluitend plaats in de familiesfeer. Er was geen sprake van handel. Appellanten hebben uit deze activiteiten geen inkomsten genoten. Door het verrichten van deze activiteiten konden zij marktonderzoek doen voor het opzetten van een webshop. Dit is uiteindelijk geculmineerd in de Bbz-aanvraag. Omdat er geen sprake was van een onderneming, hebben appellanten geen boekhouding of administratie bijgehouden. Van schending van de inlichtingenverplichting is geen sprake.

4.4.

De beroepsgrond dat appellanten geen op geld waardeerbare werkzaamheden hebben verricht, slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang. Uit het rapport blijkt dat er in de te beoordelen periode met grote regelmaat aanzienlijke bedragen zijn bijgeschreven op de bankrekeningen van appellante en dat appellanten daarvan sinds 2012 in opdracht van mensen uit China diverse goederen kochten zoals onder meer melkpoeder, kleding en vitaminepillen, die zij vervolgens naar China verstuurden. Gelet op de aard, de omvang, de duur en het terugkerende karakter van deze door appellanten verrichte activiteiten, is sprake van op geld waardeerbare werkzaamheden. Het gaat hier dan ook niet louter om een prestatie in de familiesfeer. Ook de melding van appellant bij de IND wijst daarop. Die hield mede in dat sprake was van (zwarte) handel. Verder is bij het huisbezoek op 14 oktober 2015 een vuilniszak met daarin pakken melkpoeder van Nutricia aangetroffen. Ook dat wijst op handel.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is voorts het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Het had appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat hun activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn. Appellanten hebben van deze activiteiten geen melding gedaan bij het college. Anders dan appellanten stellen, kan de informatie die appellanten hebben gegeven in het kader van hun Bbz-aanvraag niet gelden als een melding aan het college in de hiervoor bedoelde zin. Het is de verantwoordelijkheid van appellanten als bijstandsgerechtigden om omstandigheden die voor de bijstandverlening van belang kunnen zijn op de juiste wijze en aan de juiste afdeling van de gemeente door te geven. Door het college van deze werkzaamheden niet op de hoogte te stellen, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.6.

Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate de betrokkene recht op bijstand heeft. Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. In dat geval is geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellanten hebben geen boekhouding of administratie bijgehouden. Anders dan appellanten hebben betoogd, kan daarom niet worden vastgesteld of er in de periode in geding aanvullend recht op bijstand bestond.

4.7.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank geoordeeld over de terugvordering van de kosten van bijstand van appellanten. Ambtshalve oordeelt de Raad dat de rechtbank daarmee buiten de omvang van het aan haar voorgelegde geschil is getreden. Deze terugvordering is geen onderdeel van bestreden besluit 1. In zoverre heeft de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gehandeld en dient aangevallen uitspraak 1, voor zover die uitspraak betrekking heeft op de terugvordering, te worden vernietigd.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt voor zover het de intrekking van bijstand betreft. Aangevallen uitspraak 1 moet in zoverre worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2 (individuele inkomenstoeslag)

4.9.

Appellanten hebben tegen de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag geen afzonderlijke beroepsgronden ingediend. Nu het inkomen van appellanten over de periode vóór 24 december 2015, de datum met ingang waarvan appellanten weer bijstand ontvangen, niet kan worden vastgesteld, kan ook niet worden vastgesteld of appellanten aan de criteria voldoen voor toekenning van de individuele inkomenstoeslag. Voor toekenning van de individuele inkomenstoeslag is namelijk vereist dat appellanten in de referteperiode een langdurig laag inkomen hadden.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 3 (boete)

4.11.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de inlichtingenverplichting.

4.12.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het college niet alleen aannemelijk heeft gemaakt maar ook heeft aangetoond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellanten kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was dan ook in beginsel gehouden met toepassing van artikel 18a van de PW een boete op te leggen.

4.13.

De beroepsgrond van appellanten dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid slaagt niet. Dat appellanten niets met de werkzaamheden zouden hebben verdiend, wat daar overigens ook van zij, leidt niet tot de conclusie dat de schending van de inlichtingenverplichting verminderd verwijtbaar is. Anders dan appellanten hebben betoogd, zijn hierin evenmin dringende redenen gelegen op grond waarvan het college had moeten afzien van het opleggen van een boete.

4.14.

Door uit te gaan van normale verwijtbaarheid en rekening te houden met de draagkracht van appellanten op de wijze als voorzien in de uitspraken van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9 en ECLI:NL:CRVB:2016:12, heeft het college bij

bestreden besluit 3 de boete op het juiste bedrag vastgesteld. Dit betekent dat in het geval van appellanten een boete van € 1.667,52 evenredig is.

4.15.

Uit 4.11 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 evenmin slaagt, zodat ook deze uitspraak moet worden bevestigd.

5. Gelet op wat in 4.7 is overwogen, bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 1, voor zover de rechtbank daarbij een oordeel heeft gegeven over de terugvordering;

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor het overige;

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraken 2 en 3;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van

€ 1.002,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld als voorzitter en A. Stehouwer en

E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) F. Demiroǧlu

TM