Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2802

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
17/4024 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum IOAW-uitkering. Geen aanleiding voor eerdere ingangsdatum dan melding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4024 NIOAW, 17/4025 NIOAW, 17/4026 NIOAW

Datum uitspraak: 11 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

26 april 2017, 15/3389 (aangevallen uitspraak 1), 16/1388 (aangevallen uitspraak 2)

en 16/1389 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Namens appellant is

mr. Grégoire verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V. Paulissen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot 11 september 2014 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Hij heeft zich op 1 september 2014 gemeld bij de Intergemeentelijke sociale dienst [dienst] (dagelijks bestuur) voor het aanvragen van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Bij besluit van 11 maart 2015 heeft het dagelijks bestuur aan appellant met ingang van 11 september 2014 een IOAW-uitkering toegekend. Het dagelijks bestuur heeft de uitkering per 25 februari 2015 beëindigd omdat appellant per die datum woonachtig is in de gemeente [naam gemeente].

1.2.

Appellant heeft zich op 6 april 2015 bij het college gemeld voor het doen van aanvraag om een IOAW-uitkering met als gewenste ingangsdatum 11 september 2014. Appellant heeft vervolgens op 11 juni 2015 de aanvraag ingediend (aanvraag 1).

1.3.

Bij besluit van 18 juni 2015 heeft het college aan appellant per

6 april 2015 een IOAW-uitkering toegekend en deze uitkering per 28 april 2015 beëindigd omdat appellant met ingang van die datum werk heeft aanvaard en vanaf dat moment in het eigen levensonderhoud kan voorzien.

1.4.

Bij besluit van 4 november 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 juni 2015 gegrond verklaard in die zin dat nu expliciet wordt overwogen dat geen IOAW-uitkering wordt toegekend over de periode 11 september 2014 tot en met

5 april 2015. De aanvraag over de periode van 11 september 2014 tot en met 24 februari 2015 wordt afgewezen omdat het dagelijks bestuur over deze periode al een IOAW-uitkering heeft toegekend. De aanvraag over de periode van 25 februari 2015 tot en met 5 april 2015 wordt afgewezen omdat appellant zich pas op 6 april 2015 heeft gemeld voor het doen van een aanvraag. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een toekenning van een uitkering met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

1.5.

Appellant is na de beëindiging van zijn uitkering tot 17 september 2015 werkzaam geweest als chauffeur. Hij heeft zich op 17 november 2015 opnieuw bij het college gemeld voor het doen van aanvraag om een IOAW-uitkering. Hij heeft de aanvraag op

7 december 2015 ingediend (aanvraag 2).

1.6.

Bij besluit van 29 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 april 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college aan appellant met ingang van 17 november 2015 een IOAW-uitkering toegekend.

1.7.

Op 11 januari 2016 heeft appellant telefonisch bij het college gemeld dat hij met ingang van 12 januari 2016 een week op proef werkzaamheden gaat verrichten. Na die week zal worden bekeken of de werkzaamheden worden voortgezet. Vervolgens heeft appellant op 19 januari 2016 telefonisch gemeld dat hij vijf dagen heeft gewerkt en nog twee dagen gaat werken. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij besluit van 19 januari 2016 aan appellant verzocht om de werkzaamheden schriftelijk door te geven door middel van een wijzigingsformulier en meegedeeld dat in afwachting van deze gegevens de uitkering wordt geblokkeerd. Op 20 januari 2016 heeft appellant het wijzigingsformulier ingeleverd en heeft het college de blokkering per direct opgeheven.

1.8.

Bij besluit van 1 april 2016 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2016 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant niet binnen een week na aanvang van de werkzaamheden een wijzigingsformulier heeft ingediend en er daarom een gegrond vermoeden was van schending van de inlichtingenverplichting.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 3 niet-ontvankelijk verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de IOAW stelt het college het recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de IOAW wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op uitkering bestaat, de uitkering toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om een uitkering aan te vragen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2325), brengt artikel 16a, eerste lid, van de IOAW mee dat in beginsel geen uitkering wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

Aangevallen uitspraak 1

4.2.

Appellant betwist de toekenning van de IOAW-uitkering per 6 april 2015. Hij voert daartoe in de eerste plaats aan dat het dagelijks bestuur de bij het dagelijks bestuur ingediende aanvraag had moeten doorzenden aan het college. Deze grond treft geen doel. Appellant heeft zich op 1 september 2014 gemeld bij het dagelijks bestuur voor het aanvragen van een IOAW-uitkering. Appellant is tijdens de door het dagelijks bestuur te beoordelen periode weliswaar verhuisd naar de gemeente [naam gemeente], maar dit brengt niet mee dat het dagelijks bestuur de bij het dagelijks bestuur ingediende aanvraag had moeten doorsturen aan het college. Het dagelijks bestuur was immers bevoegd om de aanvraag in behandeling te nemen en een besluit te nemen op die aanvraag. Het lag op de weg van appellant om zich na zijn verhuizing te melden bij het college voor het aanvragen van een IOAW-uitkering.

4.3.1.

Appellant voert voorts aan dat de ingangsdatum van de IOAW-uitkering door het college niet op 6 april 2015, maar op 25 februari 2015 gesteld moet worden dan wel vanaf begin maart 2015 moet worden toegekend, omdat hij zich in maart 2015 telefonisch heeft gemeld bij het college voor het doen van een aanvraag om een IOAW-uitkering.

4.3.2.

Zoals in 4.1 is overwogen, wordt in beginsel geen uitkering verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de aanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Het betoog van appellant komt er op neer dat hij zich al eerder dan 6 april 2015 bij het college heeft gemeld. Appellant heeft zijn standpunt onderbouwd met een foto van de gesprekgeschiedenis van zijn telefoon. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de door appellant overgelegde foto blijkt slechts dat in maart 2015 met een telefoon naar het algemene nummer van de gemeente

[naam gemeente] is gebeld maar niet dat appellant daadwerkelijk contact heeft opgenomen met het college om zich te melden voor het aanvragen van een IOAW-uitkering. Ook blijkt daaruit niet dat hij daadwerkelijk iemand heeft gesproken of met wie hij dan zou hebben gesproken. Hieruit volgt dat ook niet is gebleken dat de naam, adres en woonplaats van appellant zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld een aanvraag in te dienen. Uit de foto kan derhalve niet worden afgeleid dat sprake is van een eerdere melding. Dat appellant niet aannemelijk kan maken dat hij een eerdere melding heeft gedaan moet voor zijn rekening en risico blijven. Van bijzondere omstandigheden die toekenning van zijn IOAW-uitkering met terugwerkende kracht zouden kunnen rechtvaardigen blijkt niet.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3.2 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt.

Aangevallen uitspraak 2

4.5.

Appellant voert aan dat het college naar aanleiding van aanvraag 2 niet met ingang van 17 november 2015, maar met ingang van 17 september 2015 een IOAW-uitkering had moeten toekennen. Hij voert daartoe aan dat vanaf 17 september 2015 zijn recht op een

IOAW-uitkering is herleefd.

4.6.

In artikel 7 van de IOAW is bepaald dat indien het recht op uitkering als gevolg van werkaanvaarding is geëindigd en vervolgens opnieuw werkloosheid ontstaat, het recht op uitkering herleeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met deze bepaling tot uitdrukking is gebracht dat in een dergelijke situatie niet opnieuw aan alle voorwaarden hoeft te worden voldaan. Dit laat echter onverlet dat, gelet op het complementaire karakter van de uitkering, ook in het geval dat de uitkering herleeft overeenkomstig artikel 15 van de IOAW een aanvraag moet worden gedaan wil de betrokkene opnieuw in aanmerking komen voor een IOAW-uitkering en zijn aanspraak daarop geldend wil maken. Appellant heeft zich pas op

17 november 2015 gemeld voor het doen van een aanvraag. Het college heeft dus terecht per die datum een IOAW-uitkering toegekend.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt.

Aangevallen uitspraak 3

4.8.

De rechtbank heeft aan de niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen bestreden besluit 3, verkort weergegeven, ten grondslag gelegd dat de blokkering voor appellant geen gevolgen heeft gehad. Uitbetaling van de uitkering vindt elke maand rond de tiende plaats. Omstreeks 10 januari 2016 heeft eiser de betaling over de maand december 2015 ontvangen en omstreeks 10 februari 2016 de betaling over de maand januari 2016. De blokkering heeft voor appellant feitelijk dus geen gevolg gehad omdat de blokkering de dag erna, nadat appellant het wijzigingsformulier had ingestuurd, alweer is opgeheven.

4.9.

Appellant heeft tegen aangevallen uitspraak 3 geen zelfstandige gronden aangevoerd. De enkele verwijzing naar de inhoudelijke gronden die in bezwaar en beroep tegen de blokkering zijn aangevoerd, kan niet leiden tot vernietiging van aangevallen uitspraak 3. Hieruit volgt dat ook het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 niet slaagt.

Conclusie

4.10.

Uit 4.4, 4.7 en 4.9 volgt dat door appellant tegen de aangevallen uitspraken aangevoerde inhoudelijke gronden niet slagen. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat gelet daarop de ook aangevoerde gronden die zien op het ontbreken van stukken in de bezwaarfase geen bespreking meer behoeven. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) C.A.E. Bon

GdJ