Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2798

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
17/2988 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Onduidelijke woonsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2988 PW

Datum uitspraak: 11 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

13 maart 2017, 16/6566 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 31 juli 2018. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 1 februari 2016 bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft op het aanvraagformulier ingevuld dat zij een kamer huurt van [naam] op het adres [straatnaam en huisnummer] te [plaatsnaam] . Appellante staat sinds 25 november 2013 ingeschreven op dit adres.

1.2.

Het college heeft appellante in maart en april 2016 voorschotten toegekend van € 865,-.

1.3.

Omdat appellante een kamer huurt van de broer van haar ex-partner, hebben medewerkers van de afdeling Support (medewerkers) een nader onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dit kader hebben de medewerkers dossieronderzoek verricht, heeft op 13 april 2016 een gesprek met appellante plaatsgevonden en is aansluitend een huisbezoek afgelegd. De bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 18 april 2016.

1.4.

Bij besluit van 15 april 2016 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Bij besluit van 10 mei 2016 heeft het college de aan appellante betaalde voorschotten van in totaal € 1.730,- van appellante teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 1 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de in 1.4 genoemde besluiten ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellante onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar woon- en leefsituatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 februari 2016 (datum aanvraag) tot en met 15 april 2016 (datum afwijzend besluit).

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellante heeft, anders dan zij stelt, onvoldoende duidelijkheid verschaft over haar woon- en leefsituatie. Appellante heeft tijdens het gesprek, voorafgaand aan het huisbezoek, verklaard dat zij een kamer huurt bij de broer van haar ex-partner. Zij heeft een eigen kamer waarin zij samen met haar dochter verblijft. Zij heeft al haar spullen op haar kamer. Appellante doet alles apart van de medebewoner. Zij mag wel gebruik maken van alle ruimtes in de woning. Tijdens het huisbezoek wordt in de kamer die appellante stelt te huren een commode, een babybox, twee gestapelde matrassen, een kledingkast met voornamelijk babykleding en babyproducten en vier bh's, vier broeken en vier shirts aangetroffen. In de andere slaapkamer, waarvan appellante stelt dat deze van de broer van haar ex-partner is, staan een tweepersoonsbed en een kledingkast. In het nachtkastje aan de rechterzijde wordt een foto van appellante en haar ex-partner in een hartvormig lijstje aangetroffen. In het nachtkastje aan de linkerzijde van het bed wordt administratie op naam van de ex-partner aangetroffen. In de kledingkast hangt aan de linkerzijde herenkleding en aan de rechterzijde dameskleding en er liggen damestassen en een wasmand met dameskleding. In de woonkamer wordt ook administratie van de ex-partner aangetroffen. Tijdens het huisbezoek wordt een pakketje voor de ex-partner bezorgd. Appellante heeft niet geantwoord op de vraag waarom zij na twee jaar woonachtig te zijn op het opgegeven adres nog altijd geen bed heeft gekocht en op een matras slaapt en ook niet op de vraag wat de reden is waarom zij zo weinig kleding heeft. Op de vraag of appellante spullen in de kamer van haar medebewoner heeft, antwoordt appellante dat zij niet wil meewerken aan het onderzoek. Zij toont wel de kamer, waaruit vervolgens blijkt dat er persoonlijke spullen van haar ex-partner liggen en dameskleding, welke kleding van appellante of van een andere bewoonster zou kunnen zijn. Omdat appellante niet verder wil meewerken aan het onderzoek, verkrijgen de medewerkers op dat punt geen duidelijkheid. Appellante is zowel bij de hoorzitting als bij de zittingen bij de rechtbank en de Raad niet verschenen en heeft ook toen geen duidelijkheid verschaft naar aanleiding van de vragen die het huisbezoek heeft opgeroepen over haar woon- en leefsituatie. De enkele stelling van appellante in het hoger beroepschrift dat haar ex-partner in Delft woont en de broer van haar ex-partner vaak weg is en zij dan het gehele huis mag gebruiken, inclusief de slaapkamer, neemt de onduidelijkheid over de woon- en leefsituatie niet weg.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) C.A.E. Bon

rh