Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
16/7918 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toestemming om met behoud van bijstand activiteiten als marginale zelfstandige te verrichten. Betrokkene heeft zelf ingevuld 45 uur per week aan bedrijf te besteden. Niet gebleken dat dit verkeerd is ingevuld vanwege gebrekkige beheersing Nederlandse taal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7918 PW

Datum uitspraak: 11 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 november 2016, 16/1328 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.M. Meis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meis. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt al enige tijd bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Hij heeft een eigen eenmansbedrijf, genaamd WUAcademy, dat onder meer opleidingen en coaching verzorgt.

1.2.

In het kader van een onderzoek of appellant zijn bedrijfsactiviteiten met behoud van (aanvullende) bijstand kan voortzetten, en in samenhang hiermee of hij kan worden aangemerkt als marginaal zelfstandige als bedoeld in de Beleidsregels marginale zelfstandigen 2015 (beleidsregels), heeft appellant op 15 oktober 2015 een vragenlijst ingevuld. Daarop heeft hij op de vraag naar het verwachte aantal uren per week dat appellant actief is met zelfstandige activiteiten (vraag 5), geantwoord: “45 uren”.

1.3.

Bij besluit van 22 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 februari 2016 (bestreden besluit), heeft het college appellant geen toestemming verleend om zelfstandige activiteiten te verrichten met behoud van bijstand. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen marginaal zelfstandige is als bedoeld in artikel 2 van de beleidsregels. De activiteiten van appellant kunnen niet worden omschreven als ‘activiteiten van geringe omvang’.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de beleidsregels, zoals deze golden ten tijde van belang, is een marginale zelfstandige een bijstandsgerechtigde die zelfstandige, productieve activiteiten van geringe omvang verricht die bescheiden inkomsten opleveren en die voor zijn eigen rekening en risico worden uitgevoerd. In artikel 2, derde lid, van de beleidsregels is voorts bepaald dat er sprake is van ‘activiteiten van geringe omvang’ indien deze minder uren bedragen dan 1.225 uur per jaar.

4.2.

Uitgaande van de opgave van appellant op de vragenlijst van het aantal te verwachten uren dat hij als zelfstandige actief is, staat vast dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn ‘activiteiten van geringe omvang’.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij zich heeft vergist bij het invullen van het formulier als gevolg van een gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en dat hij feitelijk veel minder dan 24 uur per week aan zijn bedrijf besteedt. Daarom kan en mag het college niet uitgaan van het door appellant op de vragenlijst op vraag 5 gegeven antwoord.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de door appellant op de overige vragen van de vragenlijst gegeven antwoorden niet kan worden afgeleid dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en vraag 5 niet of onvoldoende heeft begrepen. Deze antwoorden zijn consistent, ook in samenhang bezien met het antwoord op vraag 5. Zo heeft appellant op de vraag wat de reden is dat hij nog geen werk in loondienst heeft (vraag 3) als antwoord gegeven: “Die redenen bestaan niet meer. Ik wil nu een succesvol ondernemer worden.” Op de vraag of hij iets kan vertellen over de zelfstandige activiteiten die hij wil gaan doen (vraag 4), heeft appellant geantwoord: “1) onderwijsactiviteiten, 2) uitgeverij (boeken, magazines), 3) productie-business: web-, tv-, promotie- en reclamefilms (bedrijfsleven), 4) Business-coaching en -consulting.” De vraag of hij al klanten heeft (vraag 6), beantwoordt appellant bevestigend. Op de vraag waar hij zijn zelfstandige activiteiten wil gaan doen (vraag 7), vermeldt appellant dat hij dat eerst in de eigen woonruimte wil gaan doen en vanaf 2017 in een werkruimte buitenshuis. Bij de vraag of hij verwacht in het eerste jaar nog bijzondere onkosten te maken (vraag 8), kruist appellant “ja” aan en geeft hij vervolgens op: “huis mooi maken en materiaal kopen (computer, videocamera, software…)”. De vragen of hij een eigen website en schulden heeft (vragen 9 en 10) beantwoordt appellant bevestigend, met opgave van zijn website en de hoogte van zijn schuld. Gelet hierop is er geen aanleiding om te veronderstellen dat appellant ten tijde van het invullen van de vragenlijst de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de vraag naar het aantal uren dat hij verwacht per week als zelfstandige werkzaam te kunnen begrijpen en dat hij zich als gevolg daarvan heeft vergist bij zijn opgave bij die vraag.

4.5.

Appellant heeft er nog op gewezen dat het waarschijnlijk is dat hij minder dan 24 uur

per week werkt - en dus op jaarbasis minder dan 1.225 uren -, omdat hij weinig tot geen klanten heeft en omdat hij bij de Belastingdienst heeft opgegeven dat hij geen zelfstandige is, omdat hij niet aan het urencriterium voldoet. Wat hier echter ook van zij, appellant heeft zelf opgegeven dat hij 45 uur per week activiteiten als zelfstandige (gaat) verricht(en) en dit urenaantal is niet zo excessief dat evident is dat appellant zich moet hebben vergist.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) S.A. de Graaff

LO