Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:2793

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
18/777 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Inhoudelijke beoordeling door de Raad. De commandant mocht, nu de uitslag van het strafrechtelijk onderzoek ten tijde van het besluit nog niet bekend was, in het belang van de dienst overgaan tot verlenging van de schorsing van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 777 MAW

Datum uitspraak: 13 september 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
19 december 2017, 17/3395 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de commandant Koninklijke Militaire School Luchtmacht (commandant)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Appellant is niet verschenen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.R.M. van Haren.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was in de rang van Soldaat der Derde Klasse geplaatst bij het [onderdeel] van de Koninklijke Luchtmacht en tewerkgesteld op de vliegbasis [vliegbasis] .

1.2.

Op 2 juli 2014 is de commandant op de hoogte gesteld van een aangifte tegen appellant wegens geweldpleging met letsel. De Koninklijke Marechaussee (Kmar) heeft daarnaar een onderzoek ingesteld. Bij besluit van 19 augustus 2014 heeft de commandant appellant op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) geschorst in afwachting van het strafrechtelijk onderzoek. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij besluit van 14 november 2014 heeft de commandant, omdat het strafrechtelijk onderzoek nog niet was afgerond, de schorsing op grond van artikel 36, tweede lid, van het AMAR verlengd tot de datum van de uitslag daarvan, echter uiterlijk voor de duur van drie maanden. Na deze periode zal nader worden bepaald of de belangen van de dienst een nieuwe verlenging van de schorsing vorderen. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 13 mei 2015 gehandhaafd. Bij uitspraak van 17 februari 2016 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 mei 2015 ongegrond verklaard. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van 23 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:659) bevestigd.

1.4.

Bij besluit van 16 februari 2015 heeft de commandant de periode van schorsing, nu de strafrechtelijke procedure nog niet was afgerond, per 19 februari 2015 nogmaals verlengd tot de datum van de uitslag van het strafrechtelijk onderzoek, echter uiterlijk voor de duur van drie maanden.

1.5.

Bij besluit van 25 januari 2016 heeft de commandant de schorsing per 28 november 2015 beëindigd.

1.6.

Bij besluit van 31 maart 2017 (bestreden besluit) heeft de commandant het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit
niet-ontvankelijk verklaard. Overwogen is dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Niet gesteld is en evenmin is gebleken dat de schorsing voor appellant financiële of andere gevolgen heeft (gehad). Appellant is ruimschoots in de gelegenheid geweest een schriftelijke reactie te geven op het in beroep ingenomen primaire standpunt van de commandant, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Ook is appellant niet ter zitting verschenen, zodat het standpunt van de commandant dat appellant geen procesbelang meer heeft, niet is bestreden.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

3.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is er sprake van een voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.

3.3.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft appellant een belang behouden bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, aangezien hij, zoals door hem in hoger beroep is benadrukt, in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking.

3.4.

Met het oog op een definitieve beslechting van het geschil zal de Raad de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar het beroep inhoudelijk beoordelen.

3.5.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat de commandant, door de schorsing van appellant “automatisch” te verlengen, niet heeft onderkend dat sprake was van een nieuwe situatie. In deze nieuwe situatie was de schorsing volgens appellant niet langer nodig.

3.6.

Hierin kan appellant niet worden gevolgd. De commandant mocht, nu de uitslag van het strafrechtelijk onderzoek ten tijde van het besluit van 16 februari 2015 nog niet bekend was, in het belang van de dienst overgaan tot verlenging van de schorsing van appellant. De verzending van de bevindingen van de KMar naar het openbaar ministerie heeft dat niet anders gemaakt. Zoals namens de commandant ter zitting van de Raad is benadrukt, betrof dat een handeling waar de werkgever buiten stond. Het bestreden besluit houdt dus stand. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

4. Aanleiding bestaat om de commandant te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 501,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de commandant in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 501,-;

  • -

    bepaalt dat de commandant aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J. Tuit

LO